Een godsgeschenk om een dag als deze mee te beginnen is
Art Brut. Daar kan je namelijk iets over vertellen. Niet alle groepen hebben immers een kwajongen als Eddie Argos in hun rangen. Zijn teksten declameert hij dwars door de stevige rock van zijn groep in een sappig Londens dialect. De muziek is best te pruimen, zelfs op dit vroege uur. De groep speelt stevig en hecht en Argos brengt zijn teksten met de nodige ‘tongue in cheek’, springt touwtje met de microfoondraad en hotst van links naar rechts over het podium. Tussendoor steekt hij ook nog even een pleidooi af voor het fenomeen platenwinkel, i.e. geen videospelletjes, geen dvd’s meer in de rekken, maar enkel de core-business, platen met andere woorden. Het publiek deint intussen mee op de tonen van
Bang, Bang Rock ‘n’ Roll en aanverwanten. Opvallend hoeveel mensen de teksten meelippen. Een betere opener voor deze dag kan de Marquee zich niet wensen.
Terwijl de eerste blauwe ‘Turbojugend’ jeansvesten opduiken (wordt het eens geen tijd voor een ‘Turbojugend Hertoginnedal’?) is het aan
Starfucker om de Skate Stage van zijn eerste helse kater te verlossen. Deze jonge honden verdienden hun plaatsje op Pukkelpop via de Labodeluxe wedstrijd van Luc Janssen waarvoor ze hem tijdens hun korte maar bijzonder hevige set ook uitgebreid bedanken. Het moet zowaar een spreekwoordelijk uitgekomen droom zijn om te mogen spelen op het podium waar je zelf jarenlang trouw post voor hebt gevat. Wat volgt is punkrock met de grote P, verpakt met een strikje van energie met de grote E. Weliswaar nog in de kinderschoentjes, maar de moeite om in het oog te houden.
Bijna even wild als Stan Van Samang na een pint of twaalf in de backstage, worden we van
Biffy Clyro. Deze Schotse baardapen hebben er duidelijk zin in. Met hun nieuwe cd ‘Puzzle’ lijken de highlanders eindelijk een beetje aandacht te krijgen van de pers buiten de Schotse hooglanden. De Marquee is dan ook al behoorlijk goed gevuld. De set is stevig, waardoor er zowaar al een mini-moshpit wordt gevormd halverwege de tent. Er wordt vaak gerefereerd aan Weezer wanneer het over deze groep gaat, maar op het podium is daar weinig van te merken. Daar wordt gewoon stevig doorgerockt en nummers als de recentste single
Saturday Superhouse of opener
Bodies In Flight weten ons best te bekoren. Hier is immers genoeg bezieling aanwezig om in de vroege namiddag een halfvolle tent te begeesteren.
Sta ons toe om
The Enemy,
The Rifles en
The View in één adem te noemen. Alle drie maken ze deel uit van die grote NME-hype supermarkt waar Pukkelpop ook dit jaar weer duchtig is gaan shoppen. De overeenkomsten tussen deze bands zijn dan ook vrij duidelijk. De bandleden zijn stuk voor stuk lelijk als de nacht, delen allemaal de arrogantie die de Gallagher-broertjes hen met veel meer pose voordeden en slagen erin om tijdens hun doortochten nagenoeg allemaal een schare kwijlende en springende huppelkutjes frontstage te hebben staan. Muzikaal bakken ze er echter evenveel van als Joëlle Milquet die op tijd moet komen voor regeringsonderhandelingen. De bands hun respectievelijke optredens kabbelen dan ook verder als een modderstroompje naar het dichtstbijzijnde riool. De zoveelste teleurstelling als we het hebben over would be-revelaties van over het kanaal.
Tussendoor gaan we even poolshoogte nemen in de Chateau waar
Fujiya & Miyagi hun ding doen. Mooi uitgelijnd staat het drietal op het podium om met bas, gitaar en de nodige toetsen en knoppen een mooi geheel op te bouwen dat de temperatuur in de tent behoorlijk de hoogte doet inschieten. Een drummer is overbodig. Het doosje doet immers prima zijn werk. Krautrock en pakweg New Order zijn namen die door ons hoofd schieten, wanneer we de muziek moeten omschrijven. Ook The Notwist is nooit echt veraf. De zang is eentonig, maar past wonderwel bij de dromerige klanken die voor het overige worden geproduceerd. Dit is heerlijke muziek die perfect past bij de Belgische zomer die op dit moment boven Hasselt hangt: afwisselend en met vaak adembenemende wolkenpartijen.
Pukkelpop zou Pukkelpop niet zijn mocht je op een bepaald moment niet plots een andere band het podium zien opwandelen dan je had verwacht. Zo hadden wij gehoopt
The Besnard Lakes ergens halverwege de middag te treffen in de Club, maar bleek daar plots Philip Bosschaerts en zijn
Mintzkov de bühne te beklimmen. De band staat op zowat elk Belgisch festival deze zomer om hun laatste album ‘360°’ te promoten. Uit de strakke en uitermate stomende set onthouden we voornamelijk
Return & Smile, One Equals A Lot en afsluiter
Hitman. Een aangename verrassing noemen we zoiets.
Dat Kieran Hebden nog iets anders kan dan achter de knoppen staan bij Four Tet wordt ruimschoots bewezen door de schitterende show die
Fridge heeft. Een luidruchtige intro vol percussie moet de aanwezigen erop wijzen dat het concert is begonnen, waarna de groep zich in een gloedvolle set stort. Uiteraard kan Hebden zijn ware aard niet wegsteken en komen er af en toe nog bliepjes naar boven geborreld, maar het zijn de gitaren, bas en drums die de aandacht wegkapen. De songs zijn warm van toon en – zoals het elke goede postrock-band betaamt – zijn teksten zo goed als onbestaande of slechts bijzaak. De instrumenten spreken immers voor zich. Het resultaat is om duimen en vingers van af te likken. Een gevoel dat we opnieuw hopen te hebben wanneer we ons naar de Marquee haasten voor seks met de muts!
Er kan gediscussieerd worden over de vraag of
Badly Drawn Boy op een festivalpodium thuishoort. De grimmige Engelsman heeft vaak al moeite genoeg om een zaal met zijn eigen fans bij de zaak te houden, laat staan een veeleisend festivalpubliek dat voortdurend af en aan komt lopen. Maar Damon Gough probeert het deze keer niet aan zijn hart te laten komen en brengt een middelmatige set.
Born In The UK blijft een heerlijk nummer en rockt als een huis, maar de paar songs die hij (quasi-)solo met zijn akoestische gitaar brengt, beklijven het meest. Tussendoor horen we flarden van Curtis Mayfields
People Get Ready die mooi in zijn nummers verwerkt worden. Radiohitjes
Once Around The Block en
Silent Sigh krijgen een zeer rumoerige Marquee uiteindelijk toch nog even stil. De man met de muts voelt zich duidelijk meer op zijn gemak in een kleine donkere zaal dan op een groot festivalpodium, waar bovendien de storende beats van de boilerroom alweer duchtig roet in het eten komen strooien.
“You are watching the biggest rock band in the world, ladies and gentlemen”, aldus Howlin' Pelle Almqvist ADHD-frontman van dienst bij orkaan
The Hives. Het wordt zo stilaan een gewoonte. Wanneer de Zweden een nieuw album hebben staan ze op Pukkelpop. Binnenkort brengen ze ‘The Black And White Album’ uit, wat hen promoveert tot een avondlijke spot op de main stage. Uit deze plaat krijgen we naast splinterbom
Tick Tick Boom ook het veelbelovende
You Got It All Wrong door onze strot geramd. Verder tovert de arrogantie van Almqvist meermaals een glimlach op ons aangezicht. De band brengt naar aloude gewoonte een uiterst strakke retro garagerock waarin nummers als
aka Idiot,
Die Allright,
Hate To Say I Told You So en
Two Timing Touch And Broken Bones zorgen voor a hell of rock-‘n-roll show. In diezelfde lijn noteren we ook de passage van
The Noisettes vlak daarna. Hun eerste doortocht in België zal zeker en vast niet de laatste zijn. De band onder leiding van zwarte diva Shingai Shoniwa, voor de gelegenheid van boven tot onder getooid in een indianenpak, pakt met gemak een volgelopen Club in. Meer nog, qua podiumact doet Shoniwa ons bij momenten aan de vrouwelijke versie van Iggy Pop denken. Wees maar zeker dat wij ons, eenmaal thuisgekomen, reppen naar de platenwinkel om hun schijfje ‘What’s The Time Mr. Wolf’ aan te schaffen.
[pagebreak]
Met de nieuwe plaat ‘War Stories’ zet James Lavelle zijn lost/vast-collectief
UNKLE opnieuw uitdrukkelijk op de muzikale kaart. Voor een dolenthousiast publiek zet hij de Dance Hall met plezier op zijn kop. Hoewel de link met rockmuziek veel duidelijker is dan het verband met dansmuziek, wordt er toch uitbundig gedanst op de tonen van
Burn My Shadow en aanverwanten. Naast de onvermijdelijke batterij computers en toetsen staan er ook een livedrummer, een bassist en een gitarist op het podium. Vooral die laatste gaat als een duivel in een wijwatervat tekeer en schuimt het podium af terwijl hij zijn solo’s wild in het rond strooit. Regelmatig komt ook een zanger de groep bijstaan en James Lavelle zelf neemt eveneens plaats achter de microfoon. Intussen worden op de drie schermen achter de muzikanten schitterende graphics vertoont, die – naar verluidt – zouden zijn verzorgd door 3D van Massive Attack. Die stond trouwens ook in voor het artwork van de laatste cd. Het resultaat is een bruisend optreden dat de tent volledig in zijn ban houdt. James Lavelle geniet en vraagt het publiek om hem hun liefde te schenken. Wij noteren alweer een absoluut hoogtepunt.
Op het hoofdpodium is intussen een oude glorie herrezen. Voor een dun bezaaide wei toont
Chris Cornell dat hij nog steeds een van de betere zangers is. Met een nieuwe plaat in de rekken en een uitstekende groep aan zijn zijde doet hij de nostalgici een plezier door de grunge even te doen herleven.
Spoonman is en blijft een stomend rocknummer en Cornell haalt met plezier het uiterste uit zijn stembanden. Maar niet alleen rocknummers kan de voormalige voorman van Soundgarden met passie brengen. Wanneer hij, gewapend met enkel een akoestische gitaar, Michael Jacksons
Billy Jean een doordringende versie meegeeft, wordt het opvallend stil voor het hoofdpodium en ook
Fell On Black Days is in deze uitgeklede vorm even indrukwekkend als geruggesteund door een gitaarmuur. Wanneer een bijtend
Rusty Cage uiteindelijk in feedback sterft, heeft het Pukkelpoppubliek gezien dat Chris Cornell het nog niet verleerd is. Iets wat we van Didier Reynders niet kunnen zeggen.
Het sprookjesbostafereel als achtergrond van de Club is opgetrokken om
Patrick Wolf te verwelkomen. Wie vertrouwd is met zijn werk, weet dat deze zonderling een eigen stijl heeft die in geen enkel vakje lijkt te passen. In korte broek met bretellen en paars vestje met kap verschijnt de boomlange Engelsman haast ongemerkt achter de vleugel om met een ingetogen
Get Lost zijn privé-universum aan de toeschouwers te tonen. Het podium lijkt te klein voor de overal op, over en achter kruipende zanger, die het zijn roadie erg moeilijk maakt. Zijn muziek lijkt de brug te willen slaan tussen klassiek en pop, tussen entertainment en kunst. Met de staande bas en de violen, maar ook met elektronica creëert hij een sprookjesachtige sfeer, waarin Wolf als roodkapje de boze wolf probeert af te houden. Soms oogt het geheel een beetje rommelig, maar de intensiteit is steeds aanwezig.
In een goed volgelopen Marquee staat Robin Proper Sheppard inmiddels zijn gitaar te stemmen. Al weken van tevoren kondigde de voormalige The God Machine-frontman een wel heel speciale
Sophia-show aan voor Pukkelpop.
Strijkers, blazers, trompettisten en gastmuzikanten moesten voor magie zorgen en deden dat ook. Eindelijk krijgen we de liveversie van
Technologie Won’t Save Us, bombast uit het gelijknamige album uit 2006 te horen. Sheppard geeft aan dat hij de nacht voordien niet heeft geslapen omwille van de zenuwen voor deze show, verder verklaart hij enkel in België al ‘speciale’ shows te hebben gespeeld (wij denken terug aan de live-cd opgenomen tijdens de Nachten, zes jaar geleden) wat zijn status als publiekslieveling uiteraard alleen maar ten goede komt. Hoogtepunten uit de set vinden we terug in het wondermooie
Where Are You Now en een adembenemende versie van hitsingle
Oh My Love, beiden voor de gelegenheid in akoestische duetvorm gebracht. Zeker noemenswaardig zijn ook het ijzingwekkende
The Sea en bloedstollende hekkensluiter
Directionless. Conclusie: bijzonder mooie show, maar veel te kort. Het liefst zien wij Sophia dit herhalen, maar dan in een donkere club waar absoluut geen tijdsdruk is en Sheppard ongestoord twee uur lang kan spelen.
Ondertussen kunnen wij niet nalaten de klankman van het hoofdpodium een trap tegen het achterwerk te verkopen. De spanning voor het optreden van
Arcade Fire lijkt haast tastbaar. Met hun twee cd’s en een ongelooflijk boeiende show in het Koninklijk Circus en in de Marquee van Pukkelpop in 2005 zijn de verwachtingen hoog. Op het podium staat een gigantisch kerkorgel en kleine ronde videoschermpjes verspreid over de volledige oppervlakte. Ook visueel zal er hier iets te zien zijn. Wanneer de vrouwelijke ‘preacher’ dan vanop de videoschermen haar preek op het publiek loslaat, verschijnt de band op de planken.
Keep The Car Running lijkt een van de hoogtepunten van het festival op gang te trekken en ook
No Cars Go voldoet aan de reputatie van de groep. Dan gaat het echter mis. De klank valt bij momenten bijna volledig weg. De ergernis op de wei loopt al snel hoog op en er volgt boegeroep en geschreeuw om aandacht. Ook frontman Win Butler toont tussen de nummers door zijn ongenoegen met felle blikken naar de backstage, maar de problemen lijken niet opgelost te geraken. Al het hele weekend lang verheugden wij ons weggeblazen te worden door de allesoverheersende intro van
Intervention. Wanneer het moment daar eindelijk is, blijkt het kerkorgel slechts een storm in een glas water in de plaats van een allesvernietigende orkaan. Verder noteren we ondanks de technische problemen nog een sterke versie van
Black Mirror en een fantastisch
Rebellion (Lies). Tijdens dit laatste nummer van de set lijken de geluidsproblemen opgelost, maar dan is het kalf natuurlijk al lang verdronken. Wat hét hoogtepunt van dit weekend moest worden, blijkt plots de grootste tegenvaller te zijn. Jammer, zeggen we dan. We rekenen op de herkansingen in Vorst!
Gespot aan de merchandise stand: T-shirts van
Dinosaur Jr. in speciaal bierbuikmodel. Gespot op de weide: een honderdtal dronken dertigers en veertigers met een nieuw Dinosaur Jr. T-shirt. Alsof het gisteren was, herinneren wij ons de vorige doortocht van Mascis, Barlow en Murph. Ja, ook wij waren er bij toen ze in de toenmalige Marquee (over het brugje, weet u nog wel) alle decibelmeters deden ontploffen. Voorbereid op het minst oorvriendelijke optreden van het weekend staan we deze keer veiligheidshalve helemaal achteraan de tent waar we getuige zijn van een van de meest opwindende optredens van deze Pukkelpopdriedaagse. Iets later dan gepland (“we have two broken amplifiers”) wordt de set loeihard en toepasselijk in gang getrapt met het nieuwe
Almost Ready, gevolgd door een gezellig rammelende
Just Live Heaven van The Cure. Voor de gelegenheid ook nu weer even abrupt afgebroken als tijdens de toenmalige studioversie. Mascis, stuurser en apathischer dan ooit, tovert de ene solo na de andere uit zijn gitaar en geeft na haast elk nummer nog een extra draai aan de volumeknop van zijn versterker. Hier en nergens anders kan de man functioneren. Even wordt zijn routine doorbroken wanneer Murph een snare-drum breekt. Als Barlow vriendelijk grapt dat Mascis tijdens de herstellingswerken wel enkele solo’s zal spelen draait de man zich gewoon om en prutst hij wat aan zijn versterker. De relatie tussen de twee zal nooit worden wat het moet zijn, maar dat kan de pret niet bederven.
Out There rockt strak en
Feel The Pain blijkt nog steeds de publiekslieveling bij uitstek. Het wordt allemaal nog beter met fantastische versies van
Freak Scene en
Mountain Man. Nostalgie met de grote N.
Voor de tweede avond op rij dolen we met een dromerige blik voorbij de main stage. Deze keer blijven we wel hangen, want Billy Corgan en zijn half herenigde
Smashing Pumpkins spelen ten dans. Over het optreden kunnen we redelijk kort zijn. We noteren, naast de prachtige lichtshow, welgeteld drie hoogtepunten. Onze all time favorite
Cherub Rock, het geweldige
Starla (uit ‘Pisces Iscariot’, dat alweer dateert van 1994) en kippenvelmoment
Hummer. Voor de rest horen we niets anders dan Billy’s klagende zwanenzang en overdreven uitgesponnen gitaarsolo’s. Hoe hard we het ook proberen, het gevoel dat ons overmande na Dinosaur Jr. krijgen we absoluut niet meer opgeroepen. Jammer, want ook hier is de conclusie dat de Pumpkins wel degelijk bijzonder knappe songs op hun actief hebben. Alweer een gemiste kans op een bijzonder moment, maar niet getreurd. “Een regering wordt niet gevormd in enkele dagen”, hoorden we Leterme al een hele poos geleden opgewekt zeggen. Op naar een derde Pukkelpopdag dan maar!