The Posies is een licht legendarische band uit Washington, die in volle grungeperiode furore maakte met een eigen soort gesofisticeerde powerpop, een genre dat vlot uitnodigt tot nostalgie en mijmeringen over die ene hete zomer van het jaar negentienhonderd-en-zoveel. Het publiek in de Antwerpse Trix Club – van prille dertigers tot rijpe vijftigers – bood afdoende bewijs voor die these. Maar The Posies zijn Status Quo niet. We zagen een kwieke band met magistraal oud en sprankelend nieuw materiaal.
Wie erbij was, was ook getuige van een band die na een carrière van bijna vijfentwintig jaar nog altijd goedgemutst het podium op stapt. Akkoord, de (oerdegelijke) ritmesectie hield zich gedeisd. De schijnwerpers stonden dan ook onvermijdelijk gericht op Jon Auer en Ken Stringfellow, die evenveel verwantschap leken te vertonen met het duo Lennon en McCartney als met Laurel & Hardy.
Voor er ook maar één noot werd gespeeld, werd er al op de lachspieren gewerkt. Niet met van die flauwe insidergrappen die we van de meeste bands gewoon zijn, maar met spontane bindteksten en anekdotes, die de druk meteen van de ketel haalden.
Plastic Paperbacks, een nummer van de nieuwe plaat ‘Blood/Candy’, werd daarop erg rauw ingezet. De halfbakken zangharmonieën vonden we minder geestig. Het moet een geluidsprobleempje zijn geweest dat snel werd rechtgezet, want in wat volgde was de creatieve Posies-tandem perfect bij stem.
Het nieuwe songmateriaal kwam verbazingwekkend goed tot zijn recht. Cleopatra Street en The Glitter Prize waren onmiskenbare hoogtepunten. De wankele constructie van Licenses To Hide kreeg live zelfs net een tikkeltje meer gewicht dan op cd. En ook mooi: Stringfellow die vanachter zijn piano een zangpartij de mist in stuurde en meteen ridderlijk toegaf dat hij de schuldige was.
“Blood or Candy?” vroeg iemand in het publiek, waarop Stringfellow heel gevat zijn liefde voor de Franse “boudin noir” (de bloedworst) beschreef. “If it’s there, I’ll eat it, “ voegde hij er tot grote hilariteit van de aanwezigen aan toe. De ongedwongen sfeer kon niet meer stuk. Een gelikte bedoening was het trouwens evenmin. The Posies smukten hun popsongs live op met een behoorlijke dosis noise, zoals in So Caroline, Cleopatra Street en Definite Door.
Stringfellow spuwde alle kanten op, zong zijn stem in songs als Please Return It en Take Care Of Yourself haast aan flarden en stak in Ontario zelfs de demonische zijde van Pete Townshend naar de kroon. Auer – een voortreffelijk solist – stak zijn gitaar wel eens in de hoogte, maar bleef even honkvast als generatiegenoot Frank Black.
De carrière-overspannende setlist liet horen hoe ruim The Posies zich laten beïnvloeden door de popgeschiedenis. Soms werd je overvallen door het aangename gevoel te luisteren naar een muzikale bewerking van de OOR popencyclopedie. Een mens hoeft in zijn leven maar één concert van The Posies bij te wonen om te concluderen dat het een briljante band is. Bij deze.