Wilco - Ode To Joy

dBPM

Ode To Joy

Met de eerste seconden van Wilco’s elfde langspeler is de toon gezet: we krijgen een lage, warme, droge dreun van de beste rockdrummer ter wereld, Glenn Kotche, die de leiding neemt. Daarrond mag de band zich nestelen. De melodieën van die opener Bright Leaves ("Us in a car / Arguing, I'd forgive / But I always forget / Which side I'm on") zijn gebroken en gebarsten, maar niet helemaal stuk.

Alsof veel van wat je kende aan diggelen ligt, maar je onder het puin toch nog mooie dingen vindt, vooral omdat je oude spullen opnieuw hebt leren bekijken. Het zit hem al in de titel: een ode breng je toch vooral aan dingen die voorbij zijn, dood zijn zelfs, maar tegelijk roep je het met die ode wel weer tot leven. Vintage Wilco ook, mocht je er nog aan twijfelen.

Vreugde, dus. Nee, een jolige jongen is Jeff Tweedy nooit geweest. En Wilco is een band die zich durft af te vragen hoe muziek in onze warrige tijden nog kan werken, überhaupt nog een plaats kan krijgen. Dat was in de vorige albums niet het geval, waar meesterschap het van noodzaak won. Nu zijn die rollen weer omgekeerd. 'Ode To Joy' heeft ons meteen weten vast te grijpen.

De vragen, die het album oproept, zijn vragen waarop niemand ooit een rond antwoord kan geven. Hoewel "Every song a comeback is" en een puzzelstukje wordt, natuurlijk. In die stilte heeft Wilco songs bij elkaar gesprokkeld, sounds, en vooral veel ruimte overgelaten.

Zo verenigt 'Ode To Joy' het beste uit die vorige, al bij al gewoon goede Wilco albums sinds 'Sky Blue Sky': de drogere, akoestische sound van 'Schmilco', de experimenten van 'Star Wars' en co, maar het speelt zich af op de achtergrond, gelaagd en voorzichtig, schoorvoetend bijna. Of nee, beter nog: kwetsbaar. En zo zingt Tweedy ook. Verstild. Zoals het in Quiet Amplifier klinkt: "Silence seems more true".

Vervloek ons gerust, maar het is een verademing dat meester-gitarist Nels Cline, die vaak zo aanwezig was met zo veel noten, mee in het canvas opgaat en ook die rol fabuleus speelt - behalve in We Were Lucky, waar hij weer even los geht, maar daar past het.

Depressie en hoop wisselen elkaar af, net als licht en donker, licht en zwaar, zinvol en leeg, boos en vredevol, verandering en routine, wereld en gezin. Het is pas halverwege dat we het uptempo lichtpunt Everyone Hides krijgen. Daarvoor hebben we al Before Us (Remember when wars would end? / Now‚ when something's dead / We try to kill it again) en One And A Half Stars ("I'm left with only my desire to change / So what? I stay in bed all day") verteerd. Op track negen is Wilco het meest uitgelaten en direct: Love Is Everywhere - tenminste, als je liefde wil zien. In het nummer erna benoemt hij het zelfs: "Poetry and magic", hoewel te groot om te benoemen. Eet dat, beste cynici! Nuance blijft onklopbaar.

Wilco heeft met 'Ode To Joy' een prachtige kruisbeweging gemaakt. Terwijl het vroeger de onrust binnenin Tweedy en de zijnen was die hen tot muziek hors catégorie bracht, is het nu de onrust in de wereld die hen opnieuw grenzen laat verleggen terwijl de band al lang geleden vrede met zichzelf vond. En dat levert het beste album sinds 'Sky Blue Sky' op. In stilte hebben ze een mijlpaal in hun oeuvre verzet, waarin ze de roots van folk, country en rock tot een nieuw niveau hebben weten te tillen. 'Ode To Joy' is een even sterk als kwetsbaar schilderij van onze tijd dat én wil troosten én de handdoek in de ring gooien - net als - mag het hier? - 'Ghosteen' van Nick Cave.

17 oktober 2019
Gerrit Janssens