Schemerzone #9

Schemerzone #9

Een persoonlijke selectie bijzondere geluiden uit het aanbod van februari.

Het Orgelpark in Amsterdam is een vooral aan het orgel gewijde kerk, waar acht orgeltypes ter beschikking staan van muzikanten die in alle vrijheid de zeggenskracht van het instrument willen exploreren. Het is ook thuisbasis voor het Echonance festival, dat jaarlijks vroeg februari echo’s wil vatten van avant-gardemuziek uit de jongste halve eeuw. Afgelopen editie stond onder meer werk van overleden vernieuwers Tom Johnson en Peter Ablinger centraal, maar ook Arnold Dreyblatt kreeg - opnieuw - ruimte voor een stuk.

‘Descendants’ is geschreven voor vier pijporgels, volledig afgestemd op de concertruimte. Daarvoor werden de orgels rein gestemd in C, op 415 Hz, iets lager en warmer dus dan algemeen gangbaar. De Dreyblatt-methode configureert verder alle tonen op zo’n manier dat de geselecteerde zuiver in elkaar overvloeien, de luisteraar zo meenemend in een harmonisch bad. Daarbij bespeelt Claudio Baroni het op Franse romantiek geïnspireerde Verschueren-orgel (met drie klavieren, bredere pijpen en een dieper, warmer register, daardoor ook met de volste klank) en het Utopa-orgel, een door Orgelpark gedurende meer dan vijf jaar gebouwd, 2426 pijpen tellend barokorgel, ook digitaal bespeelbaar, en meteen ook ideaal om Bach mee te spelen.

Het Utopa-orgel verbindt zich als centraal instrument ook met de hogere klanken van het Van Straeten-orgel, reconstructie van een vijftiende-eeuwse voorganger met een bijna fluitachtige toon, terwijl Reinier Van Houdt, ook al avontuurlijk componist en lid van Current 93, fijne accenten toevoegt met een achttiende-eeuws kabinetorgel, initieel bedoeld voor intiem kamerspel. ‘Descendants’ zet daarmee orgels in hun puurste vorm in, helder en zonder veel roezig ruisen, daarmee verder illustrerend hoe het eeuwenoude instrument ook in de vrij uitnodigende handen van een avantgardist een renaissance beleeft.

Met Oker tekende het Gentse Aspen Edities voor een Noors kwartet dat zich gedurende tien jaar live bekwaamde in improvisatiespel aan de contrabas, woodblocks, trompet en zes- tot twaalfsnarige gitaar. Fredrik Rasten (gitaar) is er wellicht de bekendste van. Hij vond in medebandlid Torstein Lavik Larsen tegelijk een partner voor zijproject Pip, als minimalistisch improjazzduo.  

Het mooist klinkt ‘Aerial’ wanneer ieder instrument een even bescheiden als tekenende rol wordt toebedeeld. Daardoor ontstaat een warm, vrij gesprek tussen naar klankkleur zeer verscheiden instrumenten, waarvan de resulterende subtiele, organische kracht niet eens zo ver van Gastr del Sol vandaan ligt. Af en toe volgt dan een tweegesprek, bijvoorbeeld tussen gitaar en percussie, waarbij de compositie gek genoeg ook denser wordt. In Crepuscular Rays zoekt een voorzichtig vragende, krasselende trompet eerst het gezelschap van metalen percussie, tot snaren rustig het gesprek overnemen en ieder instrument zich vervolgens uitgenodigd weet voor inbreng. Ieder instrument, ieder muzikaal wezen mag zichzelf zijn: soms nerveus, soms even vast rakend in een eigen patroon, waar een ander helpt ontwarren, wervend tot een harmonieus afstemmen op intieme gezamenlijkheid, waarna een zachte trompet vrede blaast, een contrabas tevreden de eigen snaren strijkt, er nog wat uit de onderbuik rolt bij de blazer en de snaren sussend tot bedaren bewegen.

‘Aerial’ is het vredige verslag van een goedmoedig instrumentaal samenzijn. Alsof spelers en instrumenten zichzelf mogen zijn, zonder hebbelijkheidjes te moeten verstoppen, maar ze in kring aanvaard wetend. Daardoor klinkt ‘Aerial’, in alle bescheiden eigenheid bevrijd en ontspan(nen)d.  

Voor ‘The Reintegration Of The Ear’ kon de vooral om haar zacht-orkestrale ambient bekende Christina Vantzou rekenen op flinke ondersteuning van INA GRM, de in Parijs gevestigde stichting rond elektro-akoestische muziek. Na grondige voorstudie voor zichzelf en met geselecteerde muzikanten componeerde ze een meerkanaals-elektroakoestische suite, met gebruik van ondermeer de ARP2500 modulaire synth waar de recent gestorven Éliane Radigue vrijwel haar hele oeuvre op componeerde, al een tijdje pronkstuk van de INA GRM-studio. Het bedienen ervan is een zeer fysiek gebeuren, waarbij sonische helderheid en oscillaties worden bepaald door het (ver)plaatsen van tot honderden schuifjes (anders dan kabeltjes) en via microbewegingen aan draaiknoppen toon en timbre subtiel kunnen worden aangepast. Een bijna rituele vorm van bediening dus: een kolfje naar de hand van Vantzou, die zo al bijzonder veel aandacht neigt te schenken aan rust en ruimte in muziek.

Daarnaast selecteerde Vantzou de eigen piano en klankschaal, de harp (Sissi Rada), basfluit en synths (partner John Also Bennett), contrabas (Roman Hiele), basklarinet (de Belgische Ben Bertrand), de (soms akoesmatisch ingezette) sopraan van Irene Kurka, cello (Oliver Coates), verdere strijkers van Mina Choi en haar Magik Magik gezelschap en vele lokaties voor veldopnamen: kokkerellen met John Also Bennett, de kustwateren van Lesbos en Sifnos, een kerkklok, een openluchtmis, vogels, wind, passerende wagens, een hond in de verte, ...

Met twee composities van twintig minuten sonische ecologie verbindt Vantzou zich zo aan de "deep-listening-aanpak" van Pauline Oliveiros, waarbij vooral een natuurlijke vorm van traagheid regeert: letterlijk op het (adem)ritme van haar eigen lichaam en dat van medespelers musicerend of zich (ook letterlijk) zintuiglijk onderdompelend in de omgeving. Het rijke, wisselend ingezette instrumentarium zal velen in fasen op weer andere manieren aanspreken, maar de trage piano in Observations, Edits And A Cure For Restlessness gaat toch wel erg diep.

 

Wie meende dat Rafael Anton Irisarri solo in een doodlopende steeg was terechtgekomen en afgaand op de titel z’n nieuwste wilde overslaan, kan gerust zijn: ‘Points Of Inaccessability’ ademt (terug) ruimte, hoe delicaat het thema ook is. Insteek is hoe emotionele afstand tussen mensen kan versterken, in tijden van toenemend digitale interactie. Een idee dat hij liever zonder grote statements benoemt, muzikaal niet draait om het uitdrukken van ‘events’, riffs, of actieve editing onderweg, maar traag schuivende patronen vooropzet, waarmee muziek uitdrukking wordt van een vorm van isolement die zich moeilijk laat dragen, maar innerlijke tijd nodig heeft, zonder forceren.

Alles beweegt dus traag, via welbewust traag bespeelde instrumenten (een elektrische gitaar, bij Irisarri vaak bespeeld met een strijker, een keten van effectpedalen, synths gekoppeld aan looping software, en de zang van Karen Vogt). Instrumenten worden zo drágers, zonder wat voelbaar is te kunnen oplossen, maar wel vermogend die afwezigheid van oplossing mee uit te drukken.

De opnamen gebeurden in het gesloten Pieter Baan Centrum in Utrecht, een voormalig forensisch-psychiatrisch observatiecentrum, met geladen stilte, die Irisarri naar eigen zeggen dwong tot trage, afgewogen, beheerste muzikale handelingen. Op die manier verbindt Irisarri gelaagde texturen aan diepgang: zachte vocalen koppelen zich aan diep, ruim en breed golvende patronen van zich stapelende en weer verdwijnende geluiden, alsof zich innerlijk oceanisch diep bewogens en bewegends afspeelt. Alsof de blik op mógelijkheden van ruimere verbinding is gericht, maar er (nog?) onvermogen is daar concreet vorm aan te geven met iemand anders, vanwege vormen van innerlijke emotionele rem en afstand.

Het werk maakte tegelijk deel uit van een audiovisuele zoektocht met Jaco Schilp, via diens Uncloud-platform in Utrecht.

 

Lang verhaal kort: KMRU’s ‘Kin’ is één van de meest intense ambientplaten die je dit jaar zal horen. Strikt genomen zou je kunnen zeggen dat KMRU ‘power ambient’ maakt, maar dat klinkt zo lelijk en weinig subtiel. In ieder geval is het aandeel gedistorteerde gitaren en synths hier zó hoog dat de plaat, grotendeels al opgenomen in 2021, perfect bij de tijd past. En bij een aantal rouwfasen bij het maken ervan.

Zo is ‘Kin’ bijvoorbeeld een terugkeer naar Editions Mego, wieg voor ‘Peel’, ’s mans lp-debuut en grote doorbraak. Met wel dat grote verschil, dat ‘Peel’ zich -op Klang na- warm in een ambientjas wikkelde, en ‘Kin’ in het geluid zelf kruipt, krabt en knipt. De opname werd gestart begin 2021, een half jaar voordat labelbaas en mentor Rehberg aan een hartaanval zou sterven – waarna de opname een tijd stillag. Rehberg was ook degene die KMRU aan Fennesz voorstelde, een tijd voordat ze zouden touren in de VS. Op die tour, in 2022, maakten ze ‘Blurred’, meteen ook eerbetoon aan Rehberg en het label. De rouw daarbij tekende zich mee af in het gebruik van distorties, voor Fennesz zo ook al een middel tot aanscherping van emotionele intensiteit.

In 2020 stierf ook een grootmoeder van KMRU, met ook rouwbeleving bij het bredere thema van de plaat: een onderzoek naar connecties en verschillen met voorouders. KMRU is trouwens kleinzoon van grootvader Joseph Kamaru, wiens Kikuyu-folk en Bengaritmes deel zijn van de Keniaanse canon. De eigen roots worden verder gevat met bewerkte veldopnamen uit Nairobi, waar KMRU opgroeide in de Kariokor-woontorens, een luide omgeving bij een snelweg, met veel passage van matutu’s, overvolle bussen met grote muziekinstallaties.

Behalve die basisopnamen vormden een elektrische gitaar, een Plinky en Opal synthmodule, en een OTO- en MOOD-pedal, samen met FM- en granulaire synthese in een ppooll-omgeving de kerntools in het creatief proces. De doorlopende intensiteit als gevolg daarvan maakt van ‘Kin’, met zijn vele soms snijdende tot scheurende gitaardrones en bij momenten ook weer zalvende synths, een vaak elektrificerende, soms randje overprikkelende, en dus zeker geen makkelijke plaat.

Ergens mid jaren tachtig ontmoetten studio-ingenieur Tom Thiel en Max Loderbauer elkaar in de Hartmann Digital studio, waar Thiel audio-ingenieur was bij plaatopnamen van Yello, DAF en de laatste van Nena. Het was Thomas Fehlmann die voorstelde dat Thiel en Loderbauer als duo zouden musiceren, in het Berlijn van 1989. O’Locco was het eerste resultaat, uitgebracht op The Orb’s WAU! Mr Modo en snel gelicenseerd op R&S. Tussendoor zou ZTT het duo proberen bewegen tot een synthpop/acid rave carrière -het bizarre resultaat, retorisch ‘Will The World Remember?’ getiteld, werd eind 2023 nog digitaal uitgebracht op ZTT.

Sun Electric vocht zich snel vrij van dat juk, en R&S, later vooral via sublabel Apollo, werd thuisbasis voor de avontuurlijke elektronica van het duo, waarin clevere club, trippy trance, psychedelische techno, ambient, dub en jazz vaak door subtiele melodieën en licht abstracte ritmes werden verbonden. Rond de eeuwwisseling losten ze even de band, zette Loderbauer in op samenwerkingen met ondermeer Ricardo Villalobos, Tobias Freund, Moritz von Oswald en Vladislaw Delay, en werkte Thiel zowel solo als met Daniel Meteo verdere sporen uit.

In 2007 bracht Shitkatapult onuitgebracht duomateriaal uit, en veel recenter releasten ze een live set uit 1996 op Arjunamusic, nadat De:tuned een compilatie uitbracht waaraan Sun Electric ook had bijgedragen. Het idee voor een nieuwe plaat op dat Antwerpse label was blijven hangen, met als initieel opzet uitsluitend zeer zeldzame synths te bespelen. Dat is niet gelukt, maar toen ze de kans hadden in Berlijn te werken met één van de zeven ooit gemaakte Subharchords, een modulaire synth met subharmonische klanken, kreeg het zesdelige 'Episodes' alsnog vorm. Anderhalve dag kon het duo zo’n exemplaar bespelen, om gedurende een jaar verder te componeren met die opnamen, in interactie met eigen apparatuur, zoals de Elektron Octatrack DS-1 (als sequencer, optie die ontbrak bij de Subharchord) en Buchla-modules.

In zekere zin was de Subharchord een socialistisch prestigeproject, om aan te tonen dat men geen Westers model (zoals de Moog) nodig had om moderne elektronische muziek te maken. Dat ze bovendien, vanwege de nadruk op ondertonen (subharmonieën) lichtjes buitenaards klonk, was extra handig: de DDR zette in de jaren zestig en zeventig nadrukkelijk in op een race in de ruimtevaart, om een vermeende superioriteit mee uit te dragen, en leverde de eerste Duitse astronaut.

Daarbij werd de Subharchord vaak gebruikt voor soundtracks bij educatieve ruimteprogramma’s en science fiction-series. Zelf groeiden Loderbauer en Thiel op in Beieren: tegen de Oost-Duitse grens aan, maar wel in een cultuur waar kosmische muziek, die alle ruimte kreeg in West-Duitsland, veeleer spiritueel en psychedelisch gericht was, op zoek naar vrije, nieuwe klankwerelden, zonder politiek doelgerichte bijklank.

Waarschuwing: ‘Episodes’ is atypisch voor Sun Electric. Loderbauer tekent als vertrouwd wel voor de melodieën, Thiel voor de wat abstractere ritmelagen, maar de ondertoon van de plaat is duisterder dan Sun Electric ooit klonk. De Subharchord rolt dan ook van nature een wat sinister, spookachtig geluid voor zich uit – deels om het heroïsche van latere ruimte-exploraties te kunnen verklanken.

Opent de plaat nog met enige naïef-romantische zin voor melodie, meteen uitlopend in een meer uitbundige synthtrip, dan klinkt zeker het derde luik meer als een soundtrack bij mistige verhalen over de Oost-Duitse geheime dienst, of bij een gecompliceerde plottwist in een oude science fiction-serie. De opener klinkende Buchla vormt balans met de meer claustrofobische Subharchord in Episode IV, en ook deel 5 bloeit open met abstracte trance-toetsen, omringd door fantasierijk samplewerk. Enkel het slotstuk leent zich verder voor voorzichtig hoofdwiegen, op zachte dubpulsen, omrand met kraut.

Sun Electric-fans mispakken zich dus beter niet: een goed deel van ‘Episodes’ klinkt eerder als een ietwat retro aanvoelende conceptplaat, en sluit éigenlijk ook nauwer aan bij het ietwat donkerder gestemde deel van Loderbauers solowerk op Non Standard Productions, dan bij hun vroegere discografie. Helemáal verbazend hoeft die conclusie nu ook weer niet te zijn, gezien Loderbauers langere liefde voor vintage modulaire synths. Check op dat vlak zeker diens oudere, geslaagde studioset met Tobias Freund voor Boiler Room.

Hoewel hij al deejayt sinds 1987 en de doorbraak van acid house meemaakte in Mannheim en Heidelberg, zou je rave -hoe krachtig en opwindend die ook kon zijn- niet meteen associëren met Move D, wegens te smaakvol en intelligent qua discografie, zowel solo als met Deep Space Network en Earth To Infinity.

‘Beyond The Rave’ ligt dan ook mijlenver van de big room dance scene, weg van LED-walls en rookblasters. Het is niet makkelijk Move D’s stijl te omschrijven: ze ligt tussen house en techno in, en mengt lichtvoetige frivoliteit met introspectieve melancholie en zin voor licht psychedelisch hedonisme.

Moufangs dance moet het niet hebben van grote gebaren, maar van clevere creativiteit in meerdere lagen. Geef de baslijn uit Dance Oon bijvoorbeeld aan Kevin Saunderson of Laurent Garnier en ze maken er een forse leunstoel van, of een ruime luie zetel. Voor Move D blijft ze een barkruk, terwijl hij er een paar ritmes omheen bouwt en nog twee melodielijnen extra. Er is groove, maar het brein mag meedansen.

Zo kiest ook opener No Strings Attached voor een dieper ruimtelijk gevoel, een vrije headspace met een mix van analoge warmte en lichtjes hypnotiserende nieuwe technologie. De romantischer, ietwat hoekige ambient tech in Hermitage werd een goed decennium geleden opgenomen in Sint-Petersburg. Roll Split 2026 wikkelt gritty elektro in een aanzwellende space chord over een snedig gestript houseritme, Spacerckr drijft op een retro TR 606 en zwevende akkoorden uit de JX-3P The Incorrigeable Heartthrob kiest voor dromerige retro deep tech.De jazzy Juno jam in Princess and the Tablecloth en de wandelende baslijn in Rise! zijn immer typerend voor Moufangs aanpak, vast een echo van wat hij als kind al oppikte in de krautwerk studio van Conny Plank, destijds vriend van zijn vader.   

Intertoto is een nog jonge naam in de dubtechno. Jamie Coull, Schots mid-dertiger, debuteerde met ‘Thermal Shadow’ op het Londense What About Never en zond er met ‘Siccar Point’ een schets in van het verhaal van die bij geologen wereldberoemde Oost-Schotse kustkaap. In de achttiende eeuw stelde geoloog Hutton er vast hoe het gebied een stuk ouder was dan eerst ingeschat. Tussen de rode zandsteen aan de oppervlakte en de onderliggende harde rotslagen ontbrak dan wel een zichtbaar spoor van vijfenzestig miljoen jaar geologische geschiedenis – een trompe l’oeil voor de amateur-geoloog- maar die was slechts gevolg van platentectoniek en onderscheiden verwering van tussentijdse afzettingen.

Zulke processen zijn drager voor de muziek op ‘Siccar Point’. Schuif-, trek-, rek- en duwkrachten lijken voortdurend in te werken op de bodem en diepere lagen, met af en toe ritmische witte ruis als ‘natte aanslag’ er bovenop. De door Monolake ontworpen Granulator II was daarbij zeker een dankbaar instrument voor Coull: niet toevallig delen ze een interesse in verklanken van weer- en geologische processen. Een Akai MFC-filtermodule voegt ook geregeld warmte toe, de Zynaptic Morph 3 hybridiseert allerlei inputs, en een oude Quad reverb verdiept de stonewashed dub sound. Ik waag het even niet met mijn eigen collectie, maar schuif een plaat van Monolake over een plaat van Luomo en de kans is groot dat het klinkt als Intertoto.

31 maart 2026
Mario De Block