Leffingeleuren - Dag 2

Als een Pac-Man bandjes ophappen

Christophe Demunter
Leffinge12 september 2026

De zomerfestivals zitten er bijna op, maar midden september hebben wij altijd een laatste vaste afspraak in het hinterland van de Belgische kust. Drie dagen lang transformeert het rustige polderplaatsje Leffinge tot een bruisend festivaldorp. Wij slingerden ons op dag twee in twaalf uur tijd langs twee dozijn bands, achternagezeten door een helse fomo. Zoals steeds op Leffingeleuren werd het een dag vol vreemde kronkels en verrassende ontdekkingen.

Leffingeleuren - Dag 2
Foto: Leffingeleuren

Behalve de betalende podia, kent Leffingeleuren ook een gratis buitenpodium, een mooie kans om het festival te verweven met de lokale bevolking en een al even mooie kans om beginnende bandjes een kans te geven op die Busker Stage. Op dat podium mocht Lisette (nom de plume van Simon Van Weereld) de dag op gang trekken. Enkel gewapend met een gitaar, een Rhodes-orgel en een soulvolle stem was deze singer-songwriter niet echt de stormram om het festival al meteen in de fik te zetten, maar nog voor de start van het betalende luik hingen toch al een honderdtal vroege vogels aan ’s mans lippen. Mooi begin van de dag.

In de Apollotent mocht het folk-duo DUG als eerste aantreden. We kunnen folk bezwaarlijk ons favoriete genre noemen, maar toch werd dit optreden één van de leukste van de dag. De songs werden ingelepeld met verhalen en anekdotes en naar het einde van de show toe slaagde DUG er zelfs in danspasjes aan te leren en de helft van de aanwezigen in volksdansmodus te krijgen (en even later vlotjes switchend naar een wall of death…). Tussendoor hoorden we hen de loftrompet afsteken over de crew van Leffingeleuren. Een mooi brugje naar I’m The Promotor, Man. “Weten jullie wat een promotor doet? Wij eigenlijk ook niet. Normaal zijn het mensen die zoveel mogelijk geld van bands aftroggelen. Maar niet hier! Iedereen is lief en we worden goed gesoigneerd”. De lokale basisschool fungeert als backstage en die kwam dan weer aan bod in een andere verhaal: “We hebben daarnet onze jongensdroom vervuld om op school bier te drinken. Trouwens, één van de podia hier is een kerk, en daar mag je wellicht ook drinken? Drinken in de kerk, het zou toch overal moeten kunnen!” Oprechte folk, en zelfs de banjo van dit Iers-Amerikaanse duo bedekten we met de mantel der liefde.

Van zoveel leute en liefde hadden we dorst gekregen en toen we na onze tankbeurt in de grote zaal aanbelandden, was het zeskoppige Ugly al aan de set begonnen. Het duurde even voor we mee waren en de zes muzikanten op een rijtje hadden, maar daarna was het genieten van tegendraadse gitaren en mooie zanglijntjes en koortjes. Nooit buiten de lijntjes, maar wel mooi getekend. O ja, zangeres-toetseniste Jasmine leerde ook een mondje Nederlands: “Wij zijn lelijk”.

uglyll.jpg

Toen we aan de Busker Stage aankwamen, was Aaron Koch al aan zijn laatste songs toe, en bovendien verdronken die wat in de overstemmende soundcheck van de belendende Apollo. Dus trokken we maar meteen daarheen voor het vetjes op ons parcours aangestipte Golomb. Je band vernoemen naar een wiskundige die de pluimen verdiende in de combinatieleer en getallentheorie, het is niet echt een bonuspuntje in de muziekwereld. Maar in de voortuin van de basisschool van Leffinge kregen we eerder een lesje muziekgeschiedenis. Het trio uit Columbus, Ohio bracht indierock die (vooral) de sixties tot (een beetje) de nineties overspande met heerlijke samenzangen tussen het koppel Xenia en Mickey. De sound is niet gemakkelijk te situeren, wat het natuurlijk spannend maakte. Dit drietal twintigers dat klonk alsof ze in de crèche enkel aan Velvet Underground, Yo La Tengo, Sonic Youth en Dead Moon werden blootgesteld, bracht een van de meest frisse optredens van de festivaldag. Een bandje dat we graag in de gaten houden! Ze eindigden de set met twee nieuwe nummers. Die binnenkort te verschijnen plaat zullen we ook in de gaten houden.

Op weg van de Apollo-tent naar de grote zaal moet je onvermijdelijk langs de Busker Stage voorbij. Daar zagen we op een paar meter van de rumoerige kinderanimatie Senna JMB. De band rond Johan Baeten (ooit nog redacteur voor deze site, maar we blijven objectief) klonk tegelijk eigenzinnig en poppy. Een mooie kennismaking met dit combo uit Brussel, maar een paar tiental meter verderop lonkte Renny Conti al. We checken op 6 november alvast de ep van Senna JMB die op die dag verschijnt.

Misschien een foute keuze, want Renny Conti liet ons toch wat op onze honger zitten. Mooie melodieën, puik geproducete songs, een zachtjes voortkabbelende set, maar ons nekvel bleef buiten hun bereik. Dat was net iets anders naast de deur in het cafe van De Zwerver. Twine stond nog te soundchecken, maar halsoverkop gooiden ze zich volle kracht in de set. Drum, gitaar, bas en viool. Posthardcore uit Melbourne. Ze waren naar eigen zeggen om zes uur opgestaan in Brighton om met de ferry naar de overkant van het Kanaal te komen, maar dat was nauwelijks te merken aan de energieke set. We hadden dit graag tot aan het gaatje gezien maar – o vermaledijde festivalplanner! – onze fomo stuurde ons toch terug naar de Apollo.

Dit keer een goede keuze, want Concrete Vehicles bleek nog meer onze meug. Dit vijftal uit Vancouver begeeft zich op het pad dat eclectische zielsverwanten als Black Midi of Black Country New Road verkenden. Een hectische cocktail van noise, postpunk en veel te veel andere ingrediënten zodat er onvermijdelijk gemorst wordt. Songs met een al even geniaal verslavende opbouw als afbraak. Voorspelbaar onvoorspelbaar, maar onze oren stonden drie kwartier scherp. En een extra puntje voor de toetsenist die vaker met dat keyboard rondhoste over het podium dan dat hij erop speelde.

Dat Radio1-show Duyster in de kerk van Leffinge neerstrijkt, is intussen een jaarlijkse traditie geworden. Ayco Duyster zei geen idee te hebben de hoeveelste keer ze dit deden, maar de fans van het radioprogramma waren maar al te blij dat ook dit jaar de kerk een rustige oase bood. Vier bands zouden de opwachting maken, en de Canadese Ora Cogan mocht de spreekwoordelijke spits afbijten. Dat deed ze als vijfkoppige band (enkel de drummer werd van het kerkpodium geweerd) met een handvol songs waarin vooral die imponerende kronkelende stem zich een weg baande in onze vezels. Ze leek te genieten van deze serene setting (“Normaal spelen we in rokerige zalen”) en trakteerde op een best wel mooie cover van PJ Harvey’s To Bring You My Love, waarna een pakkend instrumentaaltje (en een welgemeend "Free Palestine") dit eerste kwart duyster-live afrondde.

Vooraleer de Tweede Lezing volgens het evangelie van Eppo en Ayco zou beginnen, repten we ons even naar de grote zaal voor Glyders. Dit trio uit Chicago serveerde tijdloze groovy rock, die evengoed vijftig jaar geleden op de eerste editie van Leffingeleuren had kunnen staan of nog wat eerder op Woodstock. Met de perfectie flirtend, en met een meedeinend publiek waaruit af en toe een "wow"- of "yeah!"-kreetje opsteeg. Maar na een kwartiertje lokte de kerk ons toch terug.

Nykolaes & Daniel Paul zijn de Brusselse chouchous van Ayco Duyster. Wie nu precies wie was, werd ons niet duidelijk, maar we zagen een helft die erg innemend de kerk instaarde en niet vies bleek van een melodica, en een andere helft met "very Bowie" gemaquilleerde oogkas die evenmin vies was van wat op een zelfgemaakte fluit leek. De sound was een perfecte match met de kerk, alsof we even op een huiskamerconcertje bij de Heer hemzelve geïnviteerd waren. Ontwapenend, onschuldig en misschien wel de meest duyster-fähige act van dit festival-binnen-het-festival.

Tijdens de korte pauze in de kerk hadden we nog geen behoefte aan een biecht en dus checkten we gauw even het Japanse Maya Ongaku in de Apollo-tent. We zagen veel keys en knopjes en een gitaar en bas. We hoorden nu eens Follakzoid en dan weer de soundtrack bij een erg zen Japanse tuin. Een vreemde eend in de bijt die klonk als een cruiseschip dat was doorgebroken en gestrand in de Leffingse-akker. Esoterische klanken die ons plots deden beseffen dat we eigenlijk een date hadden in de kerk.

Voor het duyster-optreden van Bluai waren alle zitjes volzet en moesten de laatkomers van achter een pilaar een glimp van het vijftal proberen op te vangen. Toen iemand opmerkte dat het iets van een chiro-kampvuur had, was het voor ons om zeep. Daar blijven klonk bijna als hoogverraad tegenover de kroost die op dat moment nog op een scoutsactiviteit was. Hoog tijd om te verkassen, ook al omdat we ons wel een beetje afvroegen wat Bluai met het duyster-universum van doen had. Of zien we dat iets te dogmatisch?

In de grote zaal had Lézard verzamelen geblazen. Een aardig gevulde zaal snoepte van een wervelende set. Het was zo’n festivalmoment waarop we onszelf maar al te graag hadden gekloond zodat we niet hoefden te kiezen tussen deze Belgische hoop in bange feestdagen en Scott Mccloud. Jammere overlap dus, maar na het fenomenale Party In the U.S. of E. zochten we andermaal een plekje in de kerk van Leffinge.

De frontman van Girls Against Boys bracht dit jaar een solo-plaat uit. Hij vertelde voor het concert dat veel van die songs ooit in Athene geschreven waren, maar even moesten blijven sudderen. In 2026 zag ‘Make It To Forever’ dus eindelijk het levenslicht en met die plaat onder de ene arm en DAAU-cellist Simon Lenski onder de andere zakte Scott McCloud zaterdag af naar Leffinge. We genoten van de verhalen die de songs inleidden. Verhalen uit zijn leven, die soms ver in de tijd terug gingen. Zo rakelde hij ter inleiding van Hold Me Tight op hoe hij als tienjarige tijdens een krantenronde rockmuziek ontdekte via de transistorradio van zijn vader die aan een gestolen winkelkarretje hing (“Winkelkarretjes kun je niet kopen. Dus moet je ze stelen”). Tussen de songs uit de solo-plaat was er ook plaats voor een paar songs van zijn andere levens bij Paramount Styles (The Girls Of Prague) of Girls Against Boys (Amsterdam Again). Ietwat vreemd in een duyster-sessie, maar we kregen zowaar ook nog een uitgebeende versie van The Stooges’ Search And Destroy. Aangename drie kwartier, maar eerlijk gezegd houden we toch meer van de hectisch drukkende Scott McCloud.

Intussen was in de grote zaal de hoofdact van de dag aan de set begonnen. Het was alweer tien jaar geleden dat we Allah-Las nog eens aan het werk zagen en we keken dus wel uit naar de show van de band uit Los Angeles. De band leek naar onze bescheiden mening een beetje te surfen in een veel te kalme branding en had iets van een highschoolorkest van best wel zes brave jongens. Allemaal meticuleus goed gebracht, maar onze nieuwsgierigheid naar meer Ora Cogan lokte ons toch naar de Apollo.

Op papier was het enige verschil met de duyster-sessie het toevoegen van een drummer. Toch voelde het alsof de sound van deze full-band-bezetting verviervoudigd was. Ora Cogan wisselde tussen gitaar en viool, maar de hoge, soms scherpe, soms snerpende stem was het meest aanwezige instrument. De Canadese plukte de setlist uit de twee laatste platen en leek het best naar haar zin te hebben op het podium. En ook voor het podium, want voor slotnummer Feel Life trok ze met haar bassiste het publiek in.

We pikten bij Allah-Las met Calm Me Down en Catamaran nog de slotsongs mee, maar gooiden daarna ons plankje in de woeste golven van Geitenvel. De zone voor de Busker Stage was volgepakt: een perfecte mensenzee voor de crowdsurfende zanger. De vier jonge snaken brachten één van de meest wervelende sets van de dag met uit het leven gegrepen onderwerpen. Tegen de gevel van de dorpskerk als ontwijd refreintje “Wij maken van vrome mannen zondaars” ten berde brengen… Right! Andere songs gingen over de vogel die op zondag over ons land vliegt en ons de krant bezorgt (De Perspelikaan) of over gokverslaafden (Koning Kras). “Wij zijn Geitenvel en wij moedigen gokken aan”. Never a dull moment onder dit Geitenvel.

Uit een geheel ander vaatje tapte het duo Niels Orens en Ewout Decraene. Als dotdotdot improviseerden ze met twee modulaire synths. De beeldschermen en -schermpjes achter hen leken weggeplukt uit een installatie van Nam June Paik, maar de visuals (verzorgd door het collectief Blauwdruk) sloten perfect aan bij de aarzelend voortsputterende soundscapes. Een zalig zevengangenmenu dat voor onze neus werd klaargemaakt!

Voor het dessert trokken we terug naar de grote zaal voor Ronker. De band uit Denderleeuw … euh, denderde door hun set en nam samen met het publiek afscheid van de festivalzomer. Net voor Goliath mijmerde frontman Jasper De Petter: “Het was de beste zomer van ons leven en dit is de kers op de taart”. Zelf zou hij iets later tijdens afsluiter Hools niet de kers op de taart zijn, maar de vervaarlijk balancerende kerel bovenop drie verticaal gestapelde monitors. Het optreden mondde uit in een samenzang met de hele zaal: lekker Wonderwall (ja, Oasis!) meeschreeuwen. Een wijfelende stagediver die zich bedacht en veilig terug van het podium stapte, werd door De Petter opgepikt om alsnog een duikje te nemen. Een medemens helpen heet zoiets. Zoals gebruikelijk vertrok Ronker zingend op de tonen van Angels (ja, Robbie Williams!).

Niet veel minder subtiel werd het even later in de Apollo met Sportweekend. De band is samengesteld uit muzikanten die hun strepen verdienden in andere bands. En dat was eraan te merken. Sportweekend raasde als een vet geoliede machine over het podium met frontman Yes (zie ook Penus) in een glansrol die erg deed denken aan Joe Talbot van Idles. “I’ve been a naughty boy”, hoorden we hem scanderen in één van de no-nonsense-songs. We vermoeden dat hij na het optreden ook met die boodschap thuiskwam.

Echte grote headliners hoeft Leffingeleuren niet, maar misschien kwam Chalk op papier wel in de buurt. Dit najaar tourt het trio als voorprogramma van Fontaines DC door Europa, maar zaterdag mochten ze in Leffinge de grote zaal afsluiten. We wikken de woorden zorgvuldig, maar sinds deze Noord-Ieren ons een paar jaar terug instant inpakten tijdens Sonic City, gingen onze muzikale paden gaandeweg een beetje uit elkaar. Chalk lijkt verveld tot een mak doorslagje van Nine Inch Nails. We bleken niet de enigen die die last hadden van krullende tenen, want op een paar honderd fans na zagen we de zaal druppelsgewijs leeglopen. Ook wij hielden het na een halfuurtje voor bekeken bij deze industriële elektropop uit een tijdperk waar industrie allang niet meer rendabel was.

We maakten graag plaats voor de gitarist die even het publiek in wilde, en spoelden onze Chalk dust nog even door met een glaasje Brakwater aan de Busker Stage. Het laatavondconcept van de noisepunkers was simpel. De zanger gaf toe dat het feit dat hij al “ongelooflijk zat” was, toch wel een nadeel was. “Wie is hier allemaal zat?” riep de gitarist met als gevolg enig animo in het publiek. “Okee, ik ben dus niet alleen”, besloot de zanger. Een geruststelling om er weer volop in te vliegen en en passant drie pinten te beloven aan degene die het boompje voor het podium tot op het podium zou kunnen brengen. Smerige afsluiter, waarna we veilig wakkergeschud de rit huiswaarts konden aanvatten.

Bedankt, Leffingeleuren. En proficiat met die vijftigste verjaardag!

← Terug naar overzicht