David Crosby - Stil noch jong

Openluchttheater, 7 september 2018

David Crosby (ex-Byrds, ex-CSNY, ex-junkie) is pissed off en niet op zijn besnorde mondje gevallen. Hij vindt oud worden maar niks en houdt nog minder van de oranje smoel die een stal maakt van het Oval Office. Tegelijk verkeert hij in opperbeste stemming. Hij surft op een creatieve straalstroom - met vier albums op vijf jaar - en zingt alle ellende van zich af. Zo ook in het Openluchttheater.

 

 

Op recente albums zoals ‘Lighthouse’ (2016) viel op hoe fragiel Crosby’s stem klonk. Maar ondertussen weten we met zekerheid dat dat dat zijn bijdrage was aan het vredige sounddesign van die plaat. In het Rivierenhof kaatste hij met zijn klankkast een waaier van geluiden en sentimenten naar de tribune. Tot soulvolle, grollende uithalen toe.

De eerste seconden van opener In My Dreams vreesden we nog het ergste. Croz' stem maakte een wankele indruk - hij vond het “cold as hell” - en de harmonie met de zingende bandleden klikte niet. Maar enkele coupletten later gleed de groep voorgoed in de groove. Later zou hetzelfde gebeuren tijdens Guinnevere, een melodie zo breekbaar en mooi dat Miles Davis ze opnam.

Zoals we wel vaker op de avond merkten, steunt Crosby in hoge mate op zijn gehoor. Hij keek de muzikanten aan met wie hij close harmony zong en hield zijn wooden ship zo op koers. Toen Jeff Pevar - een formidabele gitarist, zij het met de nodige pauwenstreken -  zich een weg scheurde door Homeward Through The Haze, dirigeerde Crosby hem zelfs met een stukje luchtbas.

Het duurde dan ook niet lang voor er extatische kreten klonken uit het publiek. “We love you, David”, riep een man. Waarop Crosby de zware stem karikaturiseerde en antwoordde: “Next time let your sister yell it. It reminds me of prison.” Zelfrelativering zit er bij Crosby diep in.

Tijdens Morrison stak hij de handen nonchalant in zijn zakken. Zoals een crooner, maar dan in de losse vrijetijdskleren van een zeventigplusser. Crosby was helemaal op zijn gemak. Zelfs toen hij in bisnummer Almost Cut My Hair een mislukte poging deed tot soleren, leek hij geen druppel van zijn melk. Altijd inspirerend wanneer een rasmuzikant niet bang is om te vallen en dan meteen weer opveert. Het verhaal van een leven vol bandtwisten, drugverslaving, creatief droog zaad en zelfs opsluiting.

Hoogtepunten? In overvloed: de regel “I wouldn’t be here at all”, die Crosby net deed klinken als Roy Orbison, tijdens het mijmerende, sierlijke At The Edge. Zijn samenvatting van hoe de situatie in Washington DC zo is kunnen ontsporen: “The corporations got so big they bought Congress.” Drie straffe songkoppels: een rockend Long Time Gone en een onversneden jazzversie van Déjà Vu, Eight Miles High en Wooden Ships en de bijtende bisnummers Almost Cut My Hair en Neil Youngs Ohio.

De vijfkoppige band, zonder clashende ego’s maar met Crosby’s zoon James Raymond aan de toetsen, zette een vol, spannend, technisch vernuftig maar warm geluid neer. Een sound die Fagen en Becker koortsachtig najoegen met Steely Dan. Mijlenver weg van Crazy Horse, wel Middelheim-waardig. Ja, jazz en Crosby; dat accordeert al van toen hij nog een opstandige Byrd was.

Heel stil werd het toen Crosby het verhaal achter Delta bracht: “I was a junkie. And I was dying. Hiding in a house near Santa Barbara, near where I live now.” Jackson Browne was bezorgd over Croz, kwam langs en hoorde er de kiem van de song. Daarop chauffeerde hij Crosby naar Warren Zevons huis, want daar stond een piano. "C'mon, David, you promised", moedigde Browne Crosby aan. En toen verscheen met machtige Delta

Crosby vertelde het met gebroken stem. Wij luisterden met ingehouden adem, blij dat de C van CNSY nog onder de levenden is. Meer zelfs dan eender wie Woodstock meemaakte.

9 september 2018
Fabian Desmicht