Walrus

Ik wilde zo weinig mogelijk denken aan wat andere mensen ervan zouden vinden

Steven Verhamme — 10 oktober 2026

Met 'Gierzwaluw' brengt Walrus een nieuw album over rusteloosheid, versnipperde aandacht, verlangen en kwetsbaarheid. De gierzwaluw, die bijna haar hele leven in de lucht doorbrengt, staat symbool voor die voortdurende beweging: soms een bron van energie en inspiratie, maar soms ook vermoeiend. Frontman Geert Noppe laat op de nieuwe plaat een avontuurlijkere en rijker gearrangeerde kant van Walrus horen. Samen met producer Joris Caluwaerts creëerde hij een album vol bijzondere klanken, sterke melodieën en herkenbare verhalen.

Ik wilde zo weinig mogelijk denken aan wat andere mensen ervan zouden vinden

De gierzwaluw brengt bijna heel zijn leven vliegend door. Het is een vogel die nauwelijks landt. Wanneer besefte je dat dit de perfecte metafoor was voor de plaat?

Geert Noppe: Het was pas helemaal op het einde dat de rode draad van de plaat duidelijk werd. We hadden toen al tien nummers geschreven, opgenomen en afgewerkt. Tijdens het werken aan de plaat besefte ik plots dat die vogel de perfecte metafoor vormde voor wat al die nummers met elkaar verbindt. Ik vond het wel een sterk beeld. Ik merkte dat het thema van die vogel ook dicht aansluit bij iets waar ik zelf vaak over schrijf en wat ergens ook in mij aanwezig is: enerzijds die drang om voortdurend geprikkeld te worden, om op zoek te gaan naar passie, emotie en nieuwe ervaringen en anderzijds het besef dat die voortdurende onrust ook een keerzijde heeft. De vogel wil niet landen, maar raakt daardoor uiteindelijk overprikkeld. De onmogelijkheid om tot rust te komen, het gevoel dat je niet mag landen, kan voor een enorme opgejaagdheid zorgen. Net die tegenstelling tussen de drang om steeds verder te gaan en het verlangen naar rust vond ik een interessant uitgangspunt. Het is een spanningsveld dat in veel thema's, waarover ik schrijf, terugkomt en dat de verschillende nummers op de plaat met elkaar verbindt.

Aan de ene kant is de rustloosheid een motor, aan de andere kant ook iets dat weegt op jezelf. Wanneer is onrust voor jou een creatieve kracht en wanneer wordt het een last?

Ik denk dat er al heel mijn leven een soort onbestemde drang in mij aanwezig is om op verkenning te gaan, om geprikkeld te worden en passioneel in het leven te staan. Ook in mijn muziek speelt die drang een belangrijke rol. Het is een soort drive die er altijd is geweest: een onbestemd gevoel, bijna een soort heimwee, een verlangen om op stap te gaan, om iets te ontdekken waarvan je niet goed weet wat het precies is. Net dat onbestemde, die drang om verder te kijken en voortdurend op zoek te gaan, vormt voor mij een belangrijke motor, zowel in het leven als in de muziek.

Er komen verschillende thema's aan bod op de plaat: de voorbijgaande tijd, de aandacht die versnippert, het verlangen, de kwetsbaarheid. Wanneer wist je dat dit de thema's zouden zijn voor de liedjes?

Ik probeer in het begin niet te veel aan een concept te denken. Mijn manier van schrijven vertrekt meestal heel intuïtief. Ik probeer elke dag wel even muziek te spelen om te kalmeren en stilte te zoeken. Dat doe ik gewoon thuis aan de buffetpiano in de living, zelfs niet in mijn muziekruimte. Daar In de woonkamer heb ik weinig mogelijkheden, maar net dat vind ik soms wel fijn: er staat alleen maar een piano en daarmee probeer ik iets wezenlijks te spelen. De dingen waarvan ik denk: dit is interessant, hier kan ik verder mee, neem ik daarna mee naar mijn muziekruimte. Daar begin ik ze verder uit te werken met andere instrumenten, synthesizers en de computer. Zo ontstaat er stilaan een soort maquette, een structuur waar ik verder mee kan. De teksten staan daar meestal los van. Vaak zijn er al wat woorden of heb ik een zangmelodie met een paar ideeën, maar de echte uitwerking van de teksten gebeurt meestal op andere momenten. Ik ga heel graag wandelen. Ik heb ook het geluk dat ik bij Hooverphonic zit en daarmee op tour kan. Als muzikant zitten we daar in een luxepositie. We hebben maar één taak: 's avonds fris en paraat staan om een geweldige show te spelen, maar overdag zijn we vrij. Dat vind ik een interessante omgeving om te schrijven. Ik ga dan vaak al wandelend op stap door die grootsteden. Ik volg een paar uur mijn neus en op een bepaald moment raak je bijna in een soort trance. Dan komen de teksten vanzelf naar boven.

Word je dan geïnspireerd door de plaatsen waar je bent?

Die teksten gaan niet noodzakelijk over de stad waar ik op dat moment rondloop. Het kan over verschillende onderwerpen gaan, maar meestal zijn het dingen waar ik zelf mee worstel of waar ik op dat moment veel over nadenk. Gaandeweg ben ik beginnen beseffen dat er in die teksten toch een bepaalde rode draad zit. Die onbestemde drang om voortdurend op zoek te gaan, om geprikkeld te worden en niet te willen landen, maar tegelijk ook die opgejaagdheid die daaruit kan voortkomen, zit in veel van mijn teksten. Al had ik het album dus absoluut niet vanuit dat idee geschreven. Het is geen conceptalbum waarin ik op voorhand heb beslist: we gaan nu een plaat maken over die drang of dat gevoel. Er zijn elf songs die over verschillende gebeurtenissen, emoties en zelfs verschillende mensen gaan. Pas gaandeweg ontdekte ik dat daar toch een bepaalde lijn doorheen loopt. Op een bepaald moment dacht ik: misschien moeten we dat gewoon erkennen.

De plaat is iets avontuurlijker en rijker gearrangeerd dan je vorige werk. Wat wilde je muzikaal onderzoeken waar je bij de eerste Walrus platen niet toe gekomen was?

Ik heb bij het schrijven vooral geprobeerd om geen interne of externe criticus toe te laten. Ik wilde zo weinig mogelijk denken aan wat andere mensen ervan zouden vinden en zeker niet aan de muziekindustrie, aan een bepaalde stijl, radiozender of aan een bepaald publiek. Ook mezelf of mijn omgeving heb ik zoveel mogelijk proberen los te laten. Ik wou gewoon zo naïef en onbevangen mogelijk schrijven. Daardoor kwam ik vrij snel uit bij harmonieën die wat gedurfder of dromeriger zijn en meer aansluiten bij de muziek die ik schreef, toen ik twintig of dertig was. Dat heb ik bewust opnieuw proberen opzoeken. Ik noem dat zelf een beetje de kernidentiteit of het kern-DNA van mijn muziek. Daar wou ik opnieuw dichterbij komen en dat hoor je volgens mij wel in de harmonieën, die minder voor de hand liggen en soms ook aansluiten bij stijlen die ik op de vorige platen minder heb gebruikt. Met die songs ben ik vervolgens naar mijn producer Joris Caluwaerts gestapt. Hij begreep goed waar ik naartoe wilde en redeneerde vanuit een gelijkaardig referentiekader. Hij heeft bovendien veel fijne dingen toegevoegd die ik zelf nooit gevonden zou hebben. Die samenwerking tussen Joris en mij werkte op dat vlak heel goed.

Maak dat eens concreet.

Joris is erin geslaagd om nieuwe kleuren toe te voegen en te experimenteren met pianoklanken, maar ook met de manier waarop de muzikanten speelden. We hebben hen allemaal zoveel mogelijk uitgedaagd om zichzelf te zijn en niet zomaar de klassieke patronen te volgen. De drummer lieten we heel vrij: hij speelt niet voortdurend de klassieke boem-tsjak van een popdrummer, maar mag soms bewust een beetje tegen het ritme ingaan, zoals Ringo Starr dat ook deed. Die vrijheid geldt voor alle muzikanten. Daardoor krijg je een veel persoonlijker geheel. Joris heeft daarnaast nog heel wat extra kleuren aan de muziek toegevoegd, met strijkers, vibrafoon, trombone en saxofoon. Ook daar wilden we clichés vermijden. Het zijn geen typische poparrangementen, maar kleuren die meer aansluiten bij de stijlen en invloeden, waarin we zelf geïnteresseerd zijn.

Soms zit er ook iets dromerigs of feeërieks in, dat aan bepaalde filmmuziek doet denken, aan muziek uit de jaren veertig of zelfs aan heel oude Disney. Dat hoor je heel goed in de strijkers. Die klinken niet als klassieke popstrijkers, maar zijn iets donkerder en breder gemaakt, waardoor ze een andere sfeer creëren. Ook de arrangementen, die we de muzikanten hebben laten spelen zoals de vibrafoon- en cellopartijen, dragen daartoe bij. Dat zijn dan geen spontane improvisaties, maar uitgewerkte arrangementen van Joris die de muzikanten van blad hebben gespeeld. Al die elementen samen zorgen ervoor dat deze plaat toch anders klinkt dan de vorige. Het zit niet in één grote stilistische breuk, maar in een reeks kleine keuzes in harmonieën, arrangementen, klankkleuren en de vrijheid die we de muzikanten hebben gegeven.

Iedereen Is Moe (Brokkelbrein)'is een opvallend nummer. Het gaat over de versnipperde aandacht in een wereld die zelf chaotischer wordt. Herken jij dat brokkelbrein bij jezelf? Of ben je dan de observator?

Dat is absoluut autobiografisch. Het is voor mij herkenbaar. Ik heb het altijd al moeilijk gevonden om mijn aandacht ergens langdurig bij te houden. Als student had ik dat al en zeker als scholier. Ik heb geen fantastische schoolcarrière gehad in het middelbaar. In het hoger onderwijs veranderde dat, omdat ik uiteindelijk iets had gevonden dat me echt interesseerde en waar ik me dus wel volledig in kon vastbijten. Op de middelbare school was ik vooral een dromer. Ik kon weken in een klas zitten zonder echt goed opgelet te hebben. Dat is eigenlijk altijd zo gebleven. Als iets me erg interesseert, kan ik me er enorm op focussen, maar als dat niet zo is, dwaalt mijn aandacht snel af. Vandaag heb ik daar nog meer last van dan vroeger, omdat we in een maatschappij leven die er bijna op gericht lijkt om ons voortdurend af te leiden. Brokkelbrein vond ik daarvan een heel goede omschrijving: een brein dat als het ware uit elkaar brokkelt en steeds moeilijker zijn aandacht bij één ding kan houden. Onze aandacht wordt voortdurend afgeleid door pietluttigheden en onnodige dingen, zelfs als het over grote wereldproblemen gaat. We zetten onze smartphone aan, krijgen voortdurend meldingen en prikkels binnen, maar ik denk dat er daarnaast ook iets met onze hersenen zelf gebeurt. Onze aandacht lijkt steeds verder te versplinteren. Bij mij is dat in ieder geval herkenbaar, net daarom voelde Brokkelbrein als een heel persoonlijk nummer.

Je schrijft eigenlijk niet alleen vanuit jezelf. Op de plaat geef je ook een aantal personages een soort stem. Waarom vind je het interessant om vanuit iemand anders te schrijven en de wereld zo te bekijken?

Dat is voor mij een soort grondhouding: ik probeer niet altijd alles uitsluitend vanuit mijn perspectief te bekijken, maar het ook wat open te trekken. Ik vind het soms zelfs gevaarlijk om op een plaat te veel autobiografisch te schrijven. Niet omdat dat niet oprecht zou zijn, maar omdat het risico bestaat dat het te zelfgericht wordt. Ik vind het net interessant om verhalen over anderen te vertellen. Bij autobiografische nummers kan je wat meer focussen op intieme dingen, op bepaalde gedachten of gevoelens die zich in je hoofd afspelen. Wanneer je over iemand anders schrijft, stel je je meer op als observator en verhalenverteller. Die twee aspecten vind ik allebei interessant.

Bovendien loopt dat natuurlijk altijd een beetje door elkaar. In een zogenaamd autobiografisch nummer zitten onvermijdelijk ook elementen van andere mensen, in verhalen, die over iemand anders gaan, sluipt er altijd wel iets van jezelf in. Die grens is dus niet zo scherp. Toch vind ik het boeiend om af en toe bewust vanuit een ander perspectief te vertrekken. Dat heb ik op vorige platen ook al geprobeerd door iemand op te voeren die ver van mij afstaat. Net dat soort perspectiefwisseling kan interessant zijn. Ik vond het deze keer ook belangrijk dat de plaat niet in een soort autobiografisch vacuüm zou bestaan. We leven in een bijzondere tijd waarin er van alles aan het gebeuren is. Die context sijpelt ook door in de teksten. Het gaat dus niet alleen over mijn leven of mijn gevoelens, maar ook soms over het onbehaaglijke gevoel dat je krijgt, wanneer je kijkt naar wat er rondom ons gebeurt. Dat vond ik belangrijk: dat de plaat niet uitsluitend over mijzelf gaat, maar ook iets van de wereld waarin we vandaag leven weerspiegelt.

De Gierzwaluw verschijnt pas helemaal op het einde van de plaat. Was dat een bewuste keuze?

Ik was een beetje bang om dat nummer te vroeg in de plaat te zetten, omdat de inhoud ervan dan misschien te veel zou gaan domineren. Dan zou het kunnen lijken alsof de hele plaat daarover gaat, terwijl dat niet mijn bedoeling is. Het zijn in essentie elf verschillende verhalen die over uiteenlopende dingen kunnen gaan. Er zijn wel een aantal rode draden en de gierzwaluw is daar zeker één van, maar het is niet het enige centrale thema van de plaat. Ik vind het daarom ok om een mooi nummer helemaal achteraan te zetten. Het begint als een verstild pianonummer en breekt naar het einde toe toch wat open. Daardoor krijgt het voor mij ook een mooie pointe, na alles wat eraan voorafgaat. Het voelt alsof het nummer de verschillende thema's en gevoelens die doorheen de plaat aanwezig zijn nog één keer samenbrengt zonder dat het alles gaat verklaren. Conceptueel klopt het voor mij heel goed als slotakkoord van de plaat.

In dat nummer spreek je jezelf ook moed in. "Blijf maar verder vliegen / hou nog even vol". Is dat een boodschap die je aan de wereld richt? Of ook een beetje aan jezelf?

In de eerste strofe van Gierzwaluw gaat het letterlijk over die vogel. In de tweede strofe breng ik iemand aan, een jij. Daar zitten verschillende mensen in mijn hoofd: kennissen, vrienden en ook een stuk van mezelf. Daarnaast ook mensen die ik helemaal niet ken. Ik probeer hen een soort moed toe te spreken. Tegelijk spreek ik ook mezelf toe. Die drang om voortdurend bezig te zijn, voortdurend afgeleid of geprikkeld te willen worden, kan immers ook heel vermoeiend zijn. Dat herken ik zelf ook. Op een bepaald moment kan het gewoon te veel worden en denk je: nu mag er iemand mij even troostend toespreken. Dat kan helpen. Eigenlijk kunnen de laatste woorden van het nummer ook op een ander niveau gelezen worden: als een soort metafoor voor het maken van deze plaat. Een album schrijven en afwerken is ook een uitputtingsproces. Het is niet altijd makkelijk om met Walrus bezig te zijn. Ik speel met Hooverphonic en Yevgueni in twee bands die goed draaien, terwijl Walrus veel meer een verhaal is waar ik zelf aan moet trekken. Het komt veel dieper van binnenuit en daardoor vraagt het ook meer van mij. Af en toe heb ik dan iemand nodig die me moed inspreekt en zegt: kom, ga maar door. In die zin gaan de laatste woorden van Gierzwaluw ook wel een beetje over mezelf en het maken van deze plaat.

Nooit worden je teksten te zwaarmoedig. Hoe belangrijk is humor of lichtheid voor jou, als je moeilijke of herkenbare thema's aanhaalt?

Ik ben blij dat je dat zegt. Het is voor mij altijd een gevaar dat een plaat te zwaarmoedig wordt. Als je probeert om teksten niet te vrijblijvend te maken en echt ergens over te laten gaan, bestaat het risico dat het geheel heel donker wordt. Daar hou ik zelf niet zo van. Echt zwaarmoedige, winterse muziek vind ik te zwaar. Voor mij mag er altijd ook iets draaglijks en hoopvols in zitten, zelfs een beetje humor. Ook muzikaal probeer ik iets van schoonheid binnen te brengen. Als ik het niet te zo pretentieus mag formuleren, zit er soms bijna iets impressionistisch in: een poging om zintuiglijke schoonheid of indrukken te beschrijven of gewoon stil te staan bij iets moois. Dat vind ik belangrijk omdat het anders al snel gratuit donker kan worden. Dan wordt het bijna een soort etaleren van tristesse. Daar voel ik weinig voor. Daarom zijn die relativerende elementen voor mij belangrijk. Humor is daar één aspect van, maar er zijn ook andere manieren om lichtheid, schoonheid of frisheid in de muziek te brengen. Die verschillende elementen zorgen ervoor dat de plaat niet verstikt onder de eigen zwaarte. Dat vind ik absoluut belangrijk.

Jij speelt bij Yevgueni en Hooverphonic. Wat kan jij muzikaal kwijt bij Walrus, dat je bij die twee andere projecten niet kwijt kan?

Ik heb het geluk dat ik in die drie bands telkens een verschillende rol speel en daar heb ik veel aan. Bij Hooverphonic beschouw ik mezelf vooral als een vertolker van wat er al is. Alex heeft de partijen geschreven en die nummers bestaan vaak al jarenlang. Mijn rol is dan om die muziek zo goed mogelijk te vertolken en ze live tot leven te brengen voor een enthousiast publiek, vaak in het buitenland. Dat vind ik een heel fijne rol. Artistiek heb ik in de studio weinig inbreng, omdat ik er pas bij kom wanneer de platen al opgenomen zijn, maar net dat maakt het interessant: ik kan me volledig concentreren op het uitvoeren en beleven van die muziek.

Bij Yevgueni ligt dat anders. Daar speel ik wel een belangrijke rol in het creatieve proces. We vertrekken vaak van ruwe diamanten die van Klaas of uitzonderlijk van Maarten of mezelf komen en die proberen we vervolgens samen verder te slijpen. Iedereen zoekt de eigen partijen, klanken en ideeën, waardoor het nummer gaandeweg vorm krijgt. Daarin heb ik dus een creatieve rol en kan ik ook een stuk van mezelf in die muziek leggen.

Mijn echte muzikale obsessie ligt bij Walrus. Dat is mijn persoonlijke verhaal zowel tekstueel als muzikaal. Mijn invloeden, mijn muzikale DNA, mijn manier van kijken naar muziek. As het echt goed zit, komt dat voor honderd procent vanuit mezelf. Ik heb die drang nodig om zelf muziek te blijven schrijven en die volledig naar mijn goesting in te kleuren om mijn sfeer en ziel erin te leggen. Dat vind ik uiteindelijk belangrijk: dat er iets in zit dat alleen van mij kan komen, iets van wie ik ben.

In 2013 heb jij je eerste plaat 'Op De Valreep' uitgebracht. We zijn nu dertien jaar verder. Hoe kijk je terug op het parcours dat je met Walrus hebt afgelegd?

Ik ben heel fier op de vier platen die we gemaakt hebben. Ik ben tevreden over het repertoire dat we doorheen de jaren hebben geschreven en opgenomen. We hebben vier keer geprobeerd iets anders te doen en ik hoop dat je dat ook hoort. Tegelijk is het niet altijd gemakkelijk geweest. Walrus is soms trekken en sleuren, in die zin kan het ook vermoeiend zijn. Toch voel ik telkens de noodzaak om ermee verder te gaan, soms tegen beter weten in. Dat is misschien die vogel die niet wil landen, precies daarom vond ik die metafoor zo mooi.

Ik had soms wel meer gehoopt op steun van de radio. Dat is niet altijd gebeurd. Ik kan daar moeilijk gefrustreerd over zijn, want er zijn veel collega's die met hetzelfde probleem kampen. Eigenlijk mag ik niet klagen. Toen we in 2013 begonnen, had ik nog de ambitie om met Walrus een veel ruwere band te zijn, die sterker naar rock neigde en scherper klonk. Reinhard Vanbergen, de toenmalige gitarist van Das Pop, heeft de eerste plaat geproduceerd en hij begreep goed dat ik die richting uit wilde. Achteraf bekeken denk ik dat we iets te hard geprobeerd hebben om die muziek ruw te maken.

Daarna ben ik bij Alex Callier terechtgekomen. Ik heb hem gevraagd of we de muziek wat meer impact konden geven en verder konden opentrekken. Dat heeft hij op twee albums goed gedaan. Nu denk ik dat we opnieuw een stap verder zijn gegaan, richting een meer eigenzinnige en misschien ook speciale klank. Daar ben ik heel blij mee. Eigenlijk voelt elke stap die we gezet hebben als een logische stap in onze carrière. Natuurlijk zijn er dingen die ik, als ik vandaag opnieuw mocht beginnen, anders zou aanpakken. Dat komt omdat je gewoon een parcours aflegt en onderweg voortdurend bijleert. Zonder al die stappen en de fouten die je onderweg maakt, zou je niet staan waar je vandaag staat. Daarom vind ik het belangrijk dat alles is kunnen gebeuren zoals het gebeurd is en dat we de kans kregen om die verschillende stappen te zetten.

'Gierzwaluw' wordt vanavond (10 oktober) voorgesteld in CC Ter Vesten in Beveren.

← Terug naar overzicht