AFF 2026
Ontdekkingsfeest
Patrick Van Gestel
C-Mine, Genk — 8 augustus 2026
Nee, het is niet langer Absolutely Free, maar Almost Free is ook mooi, zeker als je de prijs vergelijkt met andere festivals. En dan was er nog de verhuis naar de C-Mine-gebouwen, waarmee de sfeer een beetje wegviel en er grijs stof en twee zalen binnen de gevouwen in de plaats kwamen van groen gras, maar in ruil daarvoor lekte het geluid van de ene soundcheckende tent ook niet binnen in de andere. En ontdekkingen vielen er ook deze keer meer dan genoeg te doen. De bluts met de buil, zeg maar. Wij hebben er in elk geval niet minder van genoten.

Op vrijdag hadden we verstek moeten laten gaan en op zaterdag konden we pas invallen bij Parker Fans. Niet getreurd! Ook dan viel er nog meer dan genoeg te genieten.
Dansbaar, maar toch rauw. Of eerder rauw, maar uiterst dansbaar. Parker Fans wilden dat de eerste keer dat ze in België speelden, memorabel zou zijn. En dus gaven ze het volle pond met vlotte songs, die meteen de eerste dansbenen in werking zetten. Frontman Kick Kluiving bespeelde voortdurend het publiek, lokte hen naar voren en deed zelf een dansje met een (min of meer) gewillig slachtoffer. Denk een versie van LCD Soundsystem, maar dan met een Hollandse touch.

Even verder tapte Rosie Stuart uit een heel ander vaatje. Zij legde alle frustraties in de venijnige songs. Ons deed ze denken aan een jonge Patti Smith die zonder scrupules de zwijnenstal met de grove borstel wil schoonmaken. En de band nam de vibe vlotjes over met een knallend, te kort optreden als gevolg.

Vers van de pers, dit Ierse kwintet. Je kent het wel: de eigenwijze uitstraling van zo’n band als Theatre van over het kanaal, die eigenlijk nog niks bewezen heeft, maar tegelijkertijd verdomd goed weet dat ze een stel uitstekende songs achter de hand hebben. De laconieke uitstraling en inleving van frontdame Maeve O’Shea deden de rest. En ze had dan ook nog eens de bijhorende strot. Of hoe je met een goede basis een uitstekende start kan maken. Nu alleen nog dat niveau aanhouden en ze gaan Garbage van de troon stoten.

“Alle witte mannen in de schaduw, anders verbranden ze.” Peter Houben (in Abba-shirt) houdt wel van een grapje, maar nog veel meer houdt hij van pittige rammelrock, die langs alle kanten sputtert. Daartoe dient dan Benny Zen & The Love Jelly Support Cycle. Het spelplezier spetterde in dikke klodders in het rond en liedjes als Facts Are Useless of Toyota You’re My Ride deden de rest. Hier werden de liedjes trouwens steevast met een stevig laagje gitaren getooid en dat maakte het allemaal nog aantrekkelijker. Als je dan ook nog eens van die sappige tussendoortjes als Sakamoto’s Funeral ertussendoor kan draaien, krijg je sowieso een topoptreden.

In het Greenhouse probeerde Arno Sacco het intussen op een andere manier, maar dat dit soort - zij het knappe -soul op een festival een beetje tussen de plooien valt, was voorspelbaar. Dat nam nochtans niet weg dat hij er het beste van probeerde te maken en dat het karige publiek desondanks graag in diens slipstream volgde.

Nieuwbakken lieveling der singer-songwriters-liefhebbers Frans Kalf mocht zijn ding doen op de main stage en verbaasde eigenlijk quasi meteen met een knappe, van gitaarcapriolen doorwrochte song. Maar dat bleek uiteindelijk de uitzondering op de liedjesregel, die verder allemaal mooi binnen het verwachte spectrum bleven. Begrijp ons niet verkeerd: de man weet hoe hij een publiek moet inpakken en deed dat ook vlotjes. Hij liet de tent meezingen en toonde zich verder een gedegen zanger, die ons, ondanks de bedenkingen die we vooraf hadden, toch overtuigde.

In de XPRMNT-zaal werden er nieuwe noiserockhelden gevierd. Het Ierse Bucket had duidelijk de emmer tot de rand gevuld. Vanaf de opener tot aan het gaatje werd er geen enkele genade getoond. Het was zoeken naar gaatjes in de Berlijnse muur die het trio daar optrok. Het leek wel of alle Genkse heksen er verzamelen hadden geblazen om de jaarlijkse anti-psalmen te zingen. Drummer Josh Dorrell leek dan wel een schriel mannetje, het was imposant wat voor snelheid en power hij uit de kit toverde. En zanger-gitarist Ciah Dahdouh en bassist (met zessnarige bas) Emmet McNamee lieten intussen geen spaander heel van podium en zaal.

Ook in de Superette Okay werden intussen brokken gemaakt. Daar was het Cesar Sun, die de tent aan flarden scheurde met rauwe, maar iets melodieuzere noiserock. En het trio gaf zich daarvoor helemaal, elke spier en zenuw tot het uiterste rekkend. En ook daar werd dat echt wel gesmaakt.

Op het hoofdpodium konden we kennismaken met Little Grandad, die misschien nog het best omschreven worden als de Engelse tegenhangers van The Jayhawks. Rake melodieën met geweldige samenzang maakten het eenvoudig om hiervan te genieten. Een eenzame trompet werd er soms ook nog bijgehaald, maar het waren vooral de geweldige stemmen van dit viertal, die het verschil maakten. Let wel: ze schrokken er evenmin voor terug om uit te pakken. En ook dan raakten ze doel. Gesmaakte show van een band, die meer verdiende dan ze hier eigenlijk kreeg met een slechts matig geïnteresseerd publiek, dat lustig verder wauwelde.

Wie Fenne Kuppens zegt, kan moeilijk om Whispering Sons heen. Het was dus afwachten wat dat zou geven als ze solo ging optreden. Het werd al snel duidelijk dat de kloof tussen de twee enorm is, hoewel de werelden soms ook naar elkaar toe neigden. Hier speelde ze in trio, zelf met akoestische gitaar, ondersteund door cello en piano en toonde ze dat ze veel meer kan dan ze tot nu toe liet zien. Want Fenne Kuppens kan ook tedere, breekbare liedjes schrijven en ze brengen met veel gevoel, hoewel de wervelwind soms toch durft opsteken. Of hoe donkere waters ook kunnen glinsteren.

C’est Qui vormde dan weer de energieke soundtrack bij ons avondmaal, waardoor de spijsvertering prima verliep. Of dat leek toch zo.
Duidelijk één van de publiekstrekkers, speelde Just Mustard voor een volle tent, die ze gewillig op en neer deden deinen. Het moge duidelijk zijn dat shoegaze in een opgaande beweging zit. Als je dan ook nog eens voor kwaliteit zorgt met de bijna hypnotiserende zang van de eerder schuchtere frontdame Katie Ball, hier en daar ondersteund door de scherpere stem van gitarist David Noonan, dan kan het haast niet mis lopen. Dat alles steunde op al even bezwerende muziek van twee gitaren, bas en drums, waarop het eenvoudig wegdromen was. Logisch dus dat wij fans met de ogen gesloten zagen genieten. Het weze hun gegund.

Het leuke aan AFF is dat je altijd wel op iets stoot dat je anders gemist zou hebben. Mark William Lewis was zo iemand. Een loden stem over een eenvoudige, maar erg effectieve ondergrond is wat deze man kenmerkt. Liedjes waren soms uptempo, maar maakten vooral indruk, als de snelheid laag werd gehouden. Dan kreeg je iets fenomenaals als Ugly, dat je tot in je ziel voelde doordringen. Of nog: Recent Future, waarin de gitaar ontspoorde. Maar ook als het er iets ruiger aan toe ging, bleef dit schouwspel boeien. Nog een ontdekking dus.

Met Deadletter had het festival alvast een uitstekende keuze gemaakt. Niet verwonderlijk als je weet dat de band eerder al op het festival speelde. En als zo’n band die verwachtingen dan ook nog eens inlost, zit het helemaal goed. Met een set, die bol stond van de elektriciteit, die werd opgewekt door frontman Zac Lawrence die in een gescheurd T-shirt band en fans op de schouders nam en zich ook nog eens letterlijk in de massa stortte, dan kan er weinig misgaan. En de band, waarin niet alleen gitaren, maar ook saxofoon het mooie weer maken, liet weinig aan het toeval over en speelde alsof het hun laatste optreden had kunnen zijn. “We need more heat”, jutte Lawrence de gemoederen verder op vooraleer de desbetreffende song in te zetten en de lijn door te trekken. Deadletter deed waarvoor het gevraagd werd en wij zagen dat het goed was.

De vermoeidheid sloeg uiteindelijk toe, waardoor wij het strijdtoneel iets eerder dan gewenst moesten verlaten. Soms moet je nu eenmaal je meerdere erkennen in vadertje tijd.

