The Afghan Whigs
Gitaargeweld
Stefaan Van Slycken
Ancienne Belgique, Brussel — 5 oktober 2026
The Afghan Whigs hebben een nieuwe plaat voor te stellen, en dat bracht hen voor drie concerten naar België. Wij pikten er het concert in De Roma uit. Greg Dulli vroeg na een paar songs aan de lichtman om wat zaallicht aan te laten, omdat hij een onaangenaam gevoel kreeg bij het spelen naar een donker gat. Zo was duidelijk te zien dat het publiek genoot, maar wij hadden liever een verzoek aan de geluidsman gehoord: "Mag Dulli’s gitaar wat zachter?"

‘Gentlemen’ blijft één van onze favoriete gitaarplaten uit de jaren negentig. De knap opgebouwde songs, de subtiel terugkerende riffs, het soms sprankelende, soms scherpe geluid, die intense zang, die eenheid van de plaat. Veel van dat alles verzoop in de Roma helaas in een mix waarin de drie gitaren van de band vooral zo hard mogelijk leken te moeten klinken. Het kan aan onze plaats op het schellinkje gelegen hebben, maar nadat onze oren nauwelijks van de scherpe klank van het strakke Jungle Roux bekomen waren, hoorden we Dulli’s stem enkel als hij het op een schreeuwen zette tijdens de nogal rommelige rocker I’m Her Slave.
De viool in Toy Automatic, de zang van de andere bandleden in The House of I en Going To Town, en zelfs de drums in Debonair verzopen in de loeiharde gitaarklanken. Nee, ’t is niet dat we oud worden en gaan zeuren dat alles te luid staat, of dat we alles afgelikt en zuiver willen hebben. ’t Is dat we graag toch iets horen van de onderdelen van een song als Somethin’ Hot, in plaats van één lap gitaargeruis waar Dulli overheen schreeuwt. De overgang naar de ballad The Slide Song was ruim bruusk, de tempowissels er in klonken vergezocht – iets wat ons op de plaat nooit is opgevallen – en daarna was het weer vol gitaargeweld voor Catch a Colt.
De eerste vorm van subtiliteit horen we in de vioolpartij van de zeer mooie pianoballad The Deepest Part Of The Darkest Shadow, van op de nieuwe plaat ‘Soft Control’. Dit is een song die de setlists nog vele jaren mag sieren. Dulli blijft achter het keyboard voor It Kills, dat toch weer ontaardt in snoeiharde gitaren. In Please, Baby, Please is eindelijk weer een beetje ademruimte. Vanaf hier was het dan wel genieten van de crescendo ronkende gitaren in Fountain and Fairfax en My Enemy. Deze songs lijken zich beter te lenen tot stampvolle loeiharde arrangementen als apotheose van de show.
Normaal zou de show daar ook eindigen, vertelde Dulli, maar hij had geen zin om het spelletje afgaan-applaus-bisnummers te spelen. Een bevestigend antwoord van de enthousiaste zaal op de vraag “Wanna hear some more songs?” was dus voldoende voor Son of the South uit ‘Up In It’ – live klonk het vele keren beter dan op plaat. Voor Duvateen, ook weer een mooie ballad uit ‘Soft Control’ zat de geluidsbalans eindelijk goed, en deze song profiteerde wel van de ruwere liveklank.
Met een – wellicht iets te – lang uitgesponnen Into The Floor, met de obligatoire bandintroducties, konden we de uitgang opzoeken en onze oren wat rust gunnen. Waar we enkele jaren geleden nog vonden dat de band slordig speelde en Dulli er vocaal wel eens naast zat, konden we nu besluiten dat er zeer gefocust gemusiceerd werd en dat er op de stem niks aan te merken viel. Als Dulli zijn versterker nu eens wat zachter wou zetten…
