The Decemberists - The Crane Wife

Capitol Records

Debby Vervoort8 november 2008

The Crane Wife

Het is slechts een jaar geleden dat The Decemberists het album 'Picaresque' op de wereld zetten. Toch is er in tussentijd het een en ander veranderd voor de band. Ze maakten de overstap naar “major label” Capitol en hun nieuwste album ‘The Crane Wife’ werd onder andere bij het Amerikaanse radiostation NPR uitgeroepen tot de beste plaat van het jaar 2006. Het lijkt er op dat de band uiteindelijk doorgebroken is bij het grotere publiek.

Wie hierbij vreest dat de band nu een commerciële popkoers zal uitvaren heeft het echter bij het verkeerde eind. De nasale, unieke stem van Colin Meloy en de excentrieke uitvoering van de nummers alsook de vreemde kostuums bij de optredens en de Orangina-verslaving van de bandleden blijven een constante. Toch is er een lichte afdwaling van het reeds begane pad te merken bij het beluisteren van ‘The Crane Wife’.

The Decemberists zijn een snel evoluerende groep en dat is ook nu weer voelbaar. Er lijkt een zekere stabiliteit over deze plaat te hangen. De theatrale lagen van instrumenten die de vorige platen zo typeerden moesten plaats ruimen voor soberdere arrangementen. Er zit een zekere wijdsheid in de nummers, een adempauze. Het is niet overdreven te stellen dat dit de meest ingetogen plaat van het vijftal uit Portland is tot nu toe.

Toch blijft er ruimte voor het creatieve brein van Meloy, die eerder verhaaltjesschrijver dan singer-songwriter is. Voordien was er al sprake van een zekere thematische lijn doorheen de nummers, nu heeft hij zich gebaseerd op bestaande verhalen. De rode draad doorheen het album zijn twee verhaallijnen, "The Crane Wife" en "The Island".

Het ene verhaal gaat over een arme man die een kraanvogel voor zijn deur vindt, hem verzorgt en nadien weer vrijlaat. Daags nadien klopt er een vrouw aan, hij wordt verliefd. De vrouw blijkt wonderbaarlijke zijden stoffen te kunnen maken, die ze voor veel geld verkopen op de markt. Er geldt slechts een afspraak: hij mag niet in haar werkkamer komen kijken. De man wordt steeds rijker en spoort zijn vrouw aan sneller te weven. De gezondheid van de vrouw neemt af, terwijl de hebzucht van de man steeds immensere proporties aanneemt. Op een dag besluit hij toch eens te gaan kijken hoe zijn vrouw de stoffen maakt. In de werkkamer zit een kraanvogel die vleugels uit zijn eigen lichaam trekt en er zijden stoffen mee weeft. De kraanvogel ziet hem en vliegt weg om nooit meer terug te keren.
De andere verhaallijn is gebaseerd op 'The Tempest' van Shakespeare, waarin een verbannen hertog strandt op een eiland waar slechts één inwoner en een stel geesten wonen. Wanneer zijn verraders voorbij het eiland varen, veroorzaakt hij een storm, waarna ze op het eiland stranden. Uiteindelijk wordt alles bijgelegd en treedt de hertog af om plaats te maken voor zijn dochter op de troon.

Toch is het album niet echt een soundtrack voor deze verhalen. Vaak handelen de teksten over andere onderwerpen, maar uiteindelijk komen de thema’s hebzucht, wraak en vergiffenis steeds terug. Opvallend is het nummer Shankill Butchers, een eng kinderliedje dat gebaseerd is op de gelijknamige geweldplegers in de Noord-Ierse kwestie. Meloy, als uitstekend verteller, zorgt er voor dat je het hele nummer lang aan zijn lippen hangt. Toch blijft het epos The Island:/Come And See/The Landlord's Daughter/You'll Not Feel The Drowning, dat afklokt op ruim twaalf minuten,  het langst nazinderen. De band weet de verhalen op een frisse en boeiende manier te brengen. Van folk over rock en pop, alles valt perfect op zijn plaats. Voeg daar dan nog even een gastoptreden van Laura Veirs en het productiewerk van Chris Walla (Death Cab for Cutie) aan toe en u begrijpt wat we bedoelen.

← Terug naar overzicht